Secretaris met management-BV was in dienst bij instelling
Een BV sloot met een instelling een overeenkomst om met ingang van 1 januari 1998 secretariaatswerkzaamheden te verrichten voor deze instelling tegen een vaste jaarlijkse vergoeding. Het UWV was van mening dat er vanaf die datum sprake was van een dienstbetrekking en dus van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.In hoger beroep voerde de instelling aan dat er geen verplichting tot persoonlijke arbeid bestond voor de DGA van de BV en dat de vereiste gezagsverhouding tussen de instelling en de DGA ontbrak. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de verplichting tot loonbetaling niet in geschil was. De arbeidsverhouding tussen partijen merkte de Centrale Raad van Beroep op grond van de ter beschikking staande gegevens aan als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat terecht verzekeringsplicht was aangenomen vanaf 1 januari 1998. Een deel van de werkzaamheden mocht door een ander dan de directeur worden uitgevoerd, maar voor een aantal persoonsgebonden werkzaamheden was vervanging slechts mogelijk met instemming van de opdrachtgever. De opdrachtgever kende de persoon die als vaste vervanger bij langere afwezigheid was aangetrokken. Dat bevestigde volgens de Centrale Raad van Beroep dat vervanging voor de persoonsgebonden werkzaamheden door een willekeurige derde niet was toegestaan.
Een BV sloot met een instelling een overeenkomst om met ingang van 1 januari 1998 secretariaatswerkzaamheden te verrichten voor deze instelling tegen een vaste jaarlijkse vergoeding. Het UWV was van mening dat er vanaf die datum sprake was van een dienstbetrekking en dus van verzekeringsplicht voor de werknemersverzekeringen.In hoger beroep voerde de instelling aan dat er geen verplichting tot persoonlijke arbeid bestond voor de DGA van de BV en dat de vereiste gezagsverhouding tussen de instelling en de DGA ontbrak. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de verplichting tot loonbetaling niet in geschil was. De arbeidsverhouding tussen partijen merkte de Centrale Raad van Beroep op grond van de ter beschikking staande gegevens aan als een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zodat terecht verzekeringsplicht was aangenomen vanaf 1 januari 1998. Een deel van de werkzaamheden mocht door een ander dan de directeur worden uitgevoerd, maar voor een aantal persoonsgebonden werkzaamheden was vervanging slechts mogelijk met instemming van de opdrachtgever. De opdrachtgever kende de persoon die als vaste vervanger bij langere afwezigheid was aangetrokken. Dat bevestigde volgens de Centrale Raad van Beroep dat vervanging voor de persoonsgebonden werkzaamheden door een willekeurige derde niet was toegestaan.