Schriftelijke beantwoording kamervragen Belastingplan
Bij de behandeling van het inmiddels aangenomen Belastingplan 2008 in de Eerste Kamer zijn vragen gesteld, die door de staatssecretaris van Financiën schriftelijk zijn beantwoord.
1. De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op laagbelaste beleggingsdeelnemingen. Dat is aan de orde als een dochtervennootschap laagbelast is en voor meer dan 50% vrije beleggingen bezit. De vraag is wanneer voldoende aannemelijk is gemaakt dat de bezittingen niet voor meer dan 50% uit vrije beleggingen bestaan. Hierbij geldt de vrije bewijsleer. Volgens de staatssecretaris biedt dit de ruimte om op een relatief eenvoudige wijze tot een adequaat bewijs te komen. Zijn inschatting is dat de onzekerheid over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling tijdelijk is.
2. De staatssecretaris is geen voorstander van een open stelsel van rechtsbescherming voor de fiscaliteit. Daardoor kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag of een beslissing voor bezwaar vatbaar is.
3. De rol van de staatssecretaris van Financiën bij de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel is die van medewetgever en niet die van uitvoerder van de belastingwet. De toelichting op een wettekst en alles wat tijdens de parlementaire behandeling wordt gezegd en geschreven kan helpen bij het uitleggen van de wet, maar kan niet worden opgevat als een rechtstreekse toezegging waarop iemand in een procedure een beroep kan doen.
Bij de behandeling van het inmiddels aangenomen Belastingplan 2008 in de Eerste Kamer zijn vragen gesteld, die door de staatssecretaris van Financiën schriftelijk zijn beantwoord.
1. De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op laagbelaste beleggingsdeelnemingen. Dat is aan de orde als een dochtervennootschap laagbelast is en voor meer dan 50% vrije beleggingen bezit. De vraag is wanneer voldoende aannemelijk is gemaakt dat de bezittingen niet voor meer dan 50% uit vrije beleggingen bestaan. Hierbij geldt de vrije bewijsleer. Volgens de staatssecretaris biedt dit de ruimte om op een relatief eenvoudige wijze tot een adequaat bewijs te komen. Zijn inschatting is dat de onzekerheid over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling tijdelijk is.
2. De staatssecretaris is geen voorstander van een open stelsel van rechtsbescherming voor de fiscaliteit. Daardoor kan onduidelijkheid ontstaan over de vraag of een beslissing voor bezwaar vatbaar is.
3. De rol van de staatssecretaris van Financiën bij de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel is die van medewetgever en niet die van uitvoerder van de belastingwet. De toelichting op een wettekst en alles wat tijdens de parlementaire behandeling wordt gezegd en geschreven kan helpen bij het uitleggen van de wet, maar kan niet worden opgevat als een rechtstreekse toezegging waarop iemand in een procedure een beroep kan doen.