Schenking of fictieve erfrechtelijke verkrijging?

Tot 1 januari 2003 moest een schenking op straffe van nietigheid gedaan worden bij notariële akte. De enige uitzondering op dit wettelijke voorschrift betrof de schenking van hand tot hand. Met ingang van 1 januari 2003 stelt de wet geen vormvoorschriften meer aan schenkingen, met uitzondering van de schenking ter zake des doods. Dat is een schenking die pas na het overlijden van de schenker moet worden uitgevoerd. Voor dergelijke schenkingen geldt nog steeds dat er een notariële akte moet worden opgemaakt. Een aantal schuldigerkenningen door een moeder aan haar twee kinderen bevatte geen bepalingen over opeisbaarheid en aflossing. De belastingdienst merkte deze schenkingen aan als fictieve erfrechtelijke verkrijgingen bij het overlijden van moeder. Toen moeder overleed had zij ongeveer 2/3 deel van het schuldig erkende bedrag afgelost. Dat wees er volgens de rechtbank Breda op dat het niet de bedoeling was dat de bedragen pas na haar overlijden opeisbaar zouden zijn. De rechtbank ging er van uit dat de schuldig erkende bedragen direct opeisbaar waren en dat de schenkingen niet de strekking hadden pas na het overlijden van erflaatster te worden uitgevoerd. De aflossingen die tijdens leven waren gedaan dienden volgens de wet toegerekend te worden aan de oudste verbintenis. Het nog openstaande bedrag aan schulden op het moment van haar overlijden werd toegerekend aan de schuldigerkenningen die plaats vonden in de jaren 1999 t/m 2005. Voor de schuldigerkenningen met ingang van 1 januari 2003 gold geen vormvoorschrift. De schuldigerkenningen die plaatsvonden vóór 1 januari 2003 zijn door het overgangsrecht bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met terugwerkende kracht tot een onaantastbare rechtshandeling omgevormd.
Tot 1 januari 2003 moest een schenking op straffe van nietigheid gedaan worden bij notariële akte. De enige uitzondering op dit wettelijke voorschrift betrof de schenking van hand tot hand. Met ingang van 1 januari 2003 stelt de wet geen vormvoorschriften meer aan schenkingen, met uitzondering van de schenking ter zake des doods. Dat is een schenking die pas na het overlijden van de schenker moet worden uitgevoerd. Voor dergelijke schenkingen geldt nog steeds dat er een notariële akte moet worden opgemaakt.
Een aantal schuldigerkenningen door een moeder aan haar twee kinderen bevatte geen bepalingen over opeisbaarheid en aflossing. De belastingdienst merkte deze schenkingen aan als fictieve erfrechtelijke verkrijgingen bij het overlijden van moeder. Toen moeder overleed had zij ongeveer 2/3 deel van het schuldig erkende bedrag afgelost. Dat wees er volgens de rechtbank Breda op dat het niet de bedoeling was dat de bedragen pas na haar overlijden opeisbaar zouden zijn. De rechtbank ging er van uit dat de schuldig erkende bedragen direct opeisbaar waren en dat de schenkingen niet de strekking hadden pas na het overlijden van erflaatster te worden uitgevoerd.
De aflossingen die tijdens leven waren gedaan dienden volgens de wet toegerekend te worden aan de oudste verbintenis. Het nog openstaande bedrag aan schulden op het moment van haar overlijden werd toegerekend aan de schuldigerkenningen die plaats vonden in de jaren 1999 t/m 2005. Voor de schuldigerkenningen met ingang van 1 januari 2003 gold geen vormvoorschrift. De schuldigerkenningen die plaatsvonden vóór 1 januari 2003 zijn door het overgangsrecht bij de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek met terugwerkende kracht tot een onaantastbare rechtshandeling omgevormd.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u