Schatting inkomen inspecteur onredelijk hoog
Wanneer iemand zijn aangifte niet tijdig, dat wil zeggen dat hij de aangifte niet binnen de door de inspecteur in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn, heeft gedaan, mag de inspecteur de aanslag ambtshalve vaststellen. De sanctie op het niet doen van aangifte is omkering van de bewijslast, hetgeen inhoudt dat de belastingplichtige moet bewijzen dat de aanslag niet juist is.
In een procedure stelde Hof Amsterdam vast dat een advocaat zijn aangifte IB voor 1996 niet tijdig had gedaan. De advocaat stelde dat hij onmogelijk aan zijn aangifteverplichting kon voldoen omdat zijn complete administratie in 1995 in het kader van een strafrechtelijk vooronderzoek in beslag was genomen. Volgens het Hof verhinderde de inbeslagname van de administratie het doen van aangifte over 1996 niet, zeker niet omdat de advocaat beweerde dat hij over 1996 geen inkomen had genoten. Hij zou, volgens een latere aanvulling, ook geen aftrekposten of vrijstellingen hebben gehad in 1996.
De schatting van het inkomen van de inspecteur kwam uit op ƒ 500.000. De schatting bedroeg ¾ van het eveneens geschatte belastbare inkomen over 1995. Het Hof vond de schatting van het belastbaar inkomen over 1996 niet redelijk omdat de inspecteur geen rekening had gehouden met de dramatische vermindering van de werkzaamheden van de advocaat na de ‘inval’ in 1995. Het was in ieder geval niet redelijk om te veronderstellen dat de uitdelingen van winst door de BV van de advocaat die hebben geleid tot correcties op het aangegeven inkomen van 1994 zich ook in 1996 hebben voorgedaan. De BV was namelijk in 1996 failliet gegaan. Het Hof was van oordeel dat het inkomen in redelijkheid niet hoger dan op een bedrag van ƒ 50.000 mocht worden gesteld. De advocaat was niet in staat om overtuigend aan te tonen dat zijn inkomen in 1996 minder dan ƒ 50.000 bedragen had.
Wanneer iemand zijn aangifte niet tijdig, dat wil zeggen dat hij de aangifte niet binnen de door de inspecteur in de aanmaning tot het doen van aangifte gestelde termijn, heeft gedaan, mag de inspecteur de aanslag ambtshalve vaststellen. De sanctie op het niet doen van aangifte is omkering van de bewijslast, hetgeen inhoudt dat de belastingplichtige moet bewijzen dat de aanslag niet juist is.
In een procedure stelde Hof Amsterdam vast dat een advocaat zijn aangifte IB voor 1996 niet tijdig had gedaan. De advocaat stelde dat hij onmogelijk aan zijn aangifteverplichting kon voldoen omdat zijn complete administratie in 1995 in het kader van een strafrechtelijk vooronderzoek in beslag was genomen. Volgens het Hof verhinderde de inbeslagname van de administratie het doen van aangifte over 1996 niet, zeker niet omdat de advocaat beweerde dat hij over 1996 geen inkomen had genoten. Hij zou, volgens een latere aanvulling, ook geen aftrekposten of vrijstellingen hebben gehad in 1996.
De schatting van het inkomen van de inspecteur kwam uit op ƒ 500.000. De schatting bedroeg ¾ van het eveneens geschatte belastbare inkomen over 1995. Het Hof vond de schatting van het belastbaar inkomen over 1996 niet redelijk omdat de inspecteur geen rekening had gehouden met de dramatische vermindering van de werkzaamheden van de advocaat na de ‘inval’ in 1995. Het was in ieder geval niet redelijk om te veronderstellen dat de uitdelingen van winst door de BV van de advocaat die hebben geleid tot correcties op het aangegeven inkomen van 1994 zich ook in 1996 hebben voorgedaan. De BV was namelijk in 1996 failliet gegaan. Het Hof was van oordeel dat het inkomen in redelijkheid niet hoger dan op een bedrag van ƒ 50.000 mocht worden gesteld. De advocaat was niet in staat om overtuigend aan te tonen dat zijn inkomen in 1996 minder dan ƒ 50.000 bedragen had.