
De Successiewet bevat een bepaling om te voorkomen dat er zowel schenkingsrecht als overdrachtsbelasting betaald moet worden wanneer een onroerende zaak wordt geschonken of wanneer na de verkoop van een onroerende zaak een deel van de koopsom wordt kwijtgescholden. Deze bepaling geldt, zo blijkt uit een arrest van de Hoge Raad uit 1982, alleen als de overdrachtsbelasting is betaald voor de verkrijging van een onroerende zaak van iemand die ook partij was bij de bijbehorende schenking waarover schenkingsrecht moet worden betaald door de verkrijger van de onroerende zaak.
De samenloopbepaling werkte daarom niet in een situatie waarin een onroerende zaak door iemand werd gekocht en voor de levering werd doorverkocht. De levering vond plaats door de oorspronkelijke verkoper aan de uiteindelijke koper. Deze moest overdrachtsbelasting betalen bij de levering van de zaak. De aanvankelijke koper, tevens doorverkoper, schold de uiteindelijke koper een deel van de koopsom kwijt. Daarover moest de uiteindelijke koper schenkingsrecht betalen. In dit geval waren verschillende partijen betrokken bij de levering van de onroerende zaak en de schenking.