Samenloop herinvesteringsreserve en geruisloze doorschuiving
De Wet op de Inkomstenbelasting 2001 kent een aantal faciliteiten voor ondernemers. Een van deze faciliteiten is het uitstellen van belastingheffing over de bij verkoop van een bedrijfsmiddel behaalde winst door de vorming van een herinvesteringsreserve. Een andere faciliteit is de geruisloze doorschuiving van een onderneming aan een medeondernemer. Bij gebruikmaking van deze faciliteit neemt de overnemer in fiscale zin de plaats in van de overdrager. De overdrager hoeft geen belasting te betalen over de bij de overdracht behaalde winst. De vraag is of deze twee faciliteiten gelijktijdig gebruikt kunnen worden, met andere woorden, kan een herinvesteringsreserve worden gevormd voorafgaand aan een geruisloze doorschuiving?
De belastingdienst meende van niet. De rechtbank Breda denkt daar anders over. De casus betrof een in maatschapsverband gedreven agrarische onderneming. De maatschap werd, na het overlijden van vader, gevormd door moeder en zoon. De onderneming bestond uit een melkveehouderij en een akkerbouwbedrijf. Na het overlijden van vader nam moeder zijn maatschapsaandeel over met gebruikmaking van de geruisloze doorschuiving bij staking door overlijden. Moeder was de eigenaar van een melkquotum. De maatschap had het gebruik en genot van het quotum. Eind 2004 verkocht moeder het melkquotum aan een derde. Voor de boekwinst op het quotum van € 480.000 vormde zij een herinvesteringsreserve. Vervolgens trad moeder uit de maatschap. Zij schoof haar onderneming inclusief haar buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen geruisloos door naar haar zoon. De zoon van belanghebbende beëindigde de melkveehouderij en richtte zich uitsluitend op de akkerbouw. In 2005 heeft de zoon van belanghebbende geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen.
De inspecteur weigerde de vorming van de herinvesteringsreserve wegens het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen bij moeder.
Volgens de rechtbank is de ratio van de geruisloze doorschuiving dat de opvolger wordt geacht de plaats in te nemen van de overdrager. Dat betekent dat in dit geval de investeringen van de zoon in 2005 relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of moeder per 31 december 2004 een investeringsvoornemen had. De rechtbank vond aannemelijk dat moeder en zoon, gezien de geruisloze doorschuiving, hetzelfde vervangingsvoornemen hadden. Omdat de zoon wordt geacht in de plaats van zijn moeder te zijn getreden, moest zijn vervangingsvoornemen aan moeder worden toegerekend.
De Wet op de Inkomstenbelasting 2001 kent een aantal faciliteiten voor ondernemers. Een van deze faciliteiten is het uitstellen van belastingheffing over de bij verkoop van een bedrijfsmiddel behaalde winst door de vorming van een herinvesteringsreserve. Een andere faciliteit is de geruisloze doorschuiving van een onderneming aan een medeondernemer. Bij gebruikmaking van deze faciliteit neemt de overnemer in fiscale zin de plaats in van de overdrager. De overdrager hoeft geen belasting te betalen over de bij de overdracht behaalde winst. De vraag is of deze twee faciliteiten gelijktijdig gebruikt kunnen worden, met andere woorden, kan een herinvesteringsreserve worden gevormd voorafgaand aan een geruisloze doorschuiving?<BR>De belastingdienst meende van niet. De rechtbank Breda denkt daar anders over. De casus betrof een in maatschapsverband gedreven agrarische onderneming. De maatschap werd, na het overlijden van vader, gevormd door moeder en zoon. De onderneming bestond uit een melkveehouderij en een akkerbouwbedrijf. Na het overlijden van vader nam moeder zijn maatschapsaandeel over met gebruikmaking van de geruisloze doorschuiving bij staking door overlijden. Moeder was de eigenaar van een melkquotum. De maatschap had het gebruik en genot van het quotum. Eind 2004 verkocht moeder het melkquotum aan een derde. Voor de boekwinst op het quotum van € 480.000 vormde zij een herinvesteringsreserve. Vervolgens trad moeder uit de maatschap. Zij schoof haar onderneming inclusief haar buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen geruisloos door naar haar zoon. De zoon van belanghebbende beëindigde de melkveehouderij en richtte zich uitsluitend op de akkerbouw. In 2005 heeft de zoon van belanghebbende geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen. <BR>De inspecteur weigerde de vorming van de herinvesteringsreserve wegens het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen bij moeder. <BR>Volgens de rechtbank is de ratio van de geruisloze doorschuiving dat de opvolger wordt geacht de plaats in te nemen van de overdrager. Dat betekent dat in dit geval de investeringen van de zoon in 2005 relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of moeder per 31 december 2004 een investeringsvoornemen had. De rechtbank vond aannemelijk dat moeder en zoon, gezien de geruisloze doorschuiving, hetzelfde vervangingsvoornemen hadden. Omdat de zoon wordt geacht in de plaats van zijn moeder te zijn getreden, moest zijn vervangingsvoornemen aan moeder worden toegerekend.