Risico van niet ontvangen verzonden aanslag lag bij de inspecteur: bezwaar was ontvankelijk
Aan een BV werd een aanslag vennootschapsbelasting 1997 opgelegd met dagtekening 31 maart 2000. Op 4 september 2000 diende de BV een bezwaarschrift in tegen deze aanslag. Dat was ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn van zes weken. Vanwege de overschrijding van de bezwaartermijn verklaarde de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk. De BV ging tegen de uitspraak op het bezwaar in beroep bij het gerechtshof in Amsterdam. De BV stelde zich op het standpunt dat zij niet eerder bezwaar het kunnen indienen tegen de aanslag omdat zij het aanslagbiljet niet had ontvangen. Volgens het Hof was het mogelijk dat de BV de aanslag niet had ontvangen. Het risico van niet-ontvangst ten gevolge van het zoekraken of een verkeerde verzending of bezorging lag bij de inspecteur. De inspecteur had dat kunnen voorkomen door de aanslag aangetekend of met ontvangstbevestiging te versturen. De BV had volgens het Hof nadat zij op de hoogte was geraakt van het feit dat de aanslag was opgelegd, binnen een redelijke termijn een pro forma bezwaar ingediend, kennelijk naar aanleiding van een brief van de inspecteur aan de gemachtigde van de BV van 14 augustus 2000. Naar het oordeel van het Hof had de inspecteur het bezwaar van de BV ontvankelijk moeten verklaren.
Aan een BV werd een aanslag vennootschapsbelasting 1997 opgelegd met dagtekening 31 maart 2000. Op 4 september 2000 diende de BV een bezwaarschrift in tegen deze aanslag. Dat was ruim na het verstrijken van de bezwaartermijn van zes weken. Vanwege de overschrijding van de bezwaartermijn verklaarde de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk. De BV ging tegen de uitspraak op het bezwaar in beroep bij het gerechtshof in Amsterdam. De BV stelde zich op het standpunt dat zij niet eerder bezwaar het kunnen indienen tegen de aanslag omdat zij het aanslagbiljet niet had ontvangen. Volgens het Hof was het mogelijk dat de BV de aanslag niet had ontvangen. Het risico van niet-ontvangst ten gevolge van het zoekraken of een verkeerde verzending of bezorging lag bij de inspecteur. De inspecteur had dat kunnen voorkomen door de aanslag aangetekend of met ontvangstbevestiging te versturen. De BV had volgens het Hof nadat zij op de hoogte was geraakt van het feit dat de aanslag was opgelegd, binnen een redelijke termijn een pro forma bezwaar ingediend, kennelijk naar aanleiding van een brief van de inspecteur aan de gemachtigde van de BV van 14 augustus 2000. Naar het oordeel van het Hof had de inspecteur het bezwaar van de BV ontvankelijk moeten verklaren.