
Een van de belastingen die gemeenten mogen heffen is de rioolheffing. Dat is een belasting ter bestrijding van de kosten die de gemeente moet maken voor de inzameling, het transport en de zuivering van afvalwater en hemelwater. De belasting wordt geheven van eigenaren van onroerende zaken.
Een gemeente legde aan de eigenaar van 85 garageboxen, die onderdeel waren van een complex van 126 garageboxen, evenzoveel aanslagen rioolheffing op. Het complex was via een overstort aangesloten op de gemeentelijke riolering. Bij heftige regenval werd via deze overstort regenwater afgevoerd naar de gemeentelijke riolering. De gemeentelijke belastingverordening bevatte geen bepaling op grond waarvan afzonderlijke onroerende zaken als één zaak konden worden aangemerkt. In het verleden was het complex gesplitst in appartementsrechten, waardoor iedere garagebox een zelfstandige onroerende zaak was geworden.
Naar het oordeel van Hof Leeuwarden werden de garageboxen terecht afzonderlijk in de rioolheffing betrokken. Voor de garageboxen gold het zelfde tarief als voor woningen, ondanks het ontbreken van aansluitingen op de waterleiding en van sanitaire voorzieningen. De eigenaar vond dit in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De belastingrechter mag alleen over de hoogte van tarieven oordelen als sprake is van een willekeurige en onredelijke belastingheffing. Naar het oordeel van het hof deed zich dat hier niet voor.