Restaurantgedeelte pand terecht verplicht ondernemingsvermogen
Een ondernemer kocht in 1996 een pand, bestaande uit een voormalige supermarkt, een pizzeria en een woning. Alle delen van het pand beschikten over een eigen ingang. De ondernemer merkte het gehele pand aan als privé-vermogen. In de loop van 1997 beëindigde de ondernemer de exploitatie van de pizzeria en verhuurde hij dit deel van het pand inclusief de inventaris voor een periode van twee jaar. In 1999 vond een boekenonderzoek door de belastingdienst plaats. Als gevolg daarvan legde de belastingdienst navorderingsaanslagen op waarbij de bedrijfsgedeelten van het pand als ondernemingsvermogen werden aangemerkt. Bij wijze van compromis liet de belastingdienst de correctie voor het winkelgedeelte vallen en merkte hij alleen het pizzeriagedeelte aan als verplicht ondernemingsvermogen. Voor Hof Leeuwarden was in geschil of deze correctie juist was en voorts of navordering werd verhinderd door uitlatingen van de belastingdienst tijdens het boekenonderzoek. Ten aanzien van de vermogensetikettering van het pand was het Hof van oordeel, dat het bedrijfsgedeelte verplicht bedrijfsvermogen vormde vanwege de splitsbaarheid en de intentie tot bedrijfsmatige exploitatie van het totale bedrijfsgedeelte. Er was echter bij compromis afgesproken dat slechts het pizzeriagedeelte werd aangemerkt als ondernemingsvermogen. Volgens het Hof kon uit het volgen van de aangiften bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting 1996 en 1997 niet worden afgeleid dat de belastingdienst bewust het standpunt had ingenomen dat de vermogensetikettering juist was. De gemaakte keuze was geen onderwerp van gesprek geweest. Pas bij het onderzoek ontstond twijfel bij de inspecteur over de juistheid van de etikettering van het pand in de aangifte. Er was geen sprake van door de belastingdienst opgewekt vertrouwen op dit punt en dus mocht worden nagevorderd.
Een ondernemer kocht in 1996 een pand, bestaande uit een voormalige supermarkt, een pizzeria en een woning. Alle delen van het pand beschikten over een eigen ingang. De ondernemer merkte het gehele pand aan als privé-vermogen. In de loop van 1997 beëindigde de ondernemer de exploitatie van de pizzeria en verhuurde hij dit deel van het pand inclusief de inventaris voor een periode van twee jaar. In 1999 vond een boekenonderzoek door de belastingdienst plaats. Als gevolg daarvan legde de belastingdienst navorderingsaanslagen op waarbij de bedrijfsgedeelten van het pand als ondernemingsvermogen werden aangemerkt. Bij wijze van compromis liet de belastingdienst de correctie voor het winkelgedeelte vallen en merkte hij alleen het pizzeriagedeelte aan als verplicht ondernemingsvermogen. Voor Hof Leeuwarden was in geschil of deze correctie juist was en voorts of navordering werd verhinderd door uitlatingen van de belastingdienst tijdens het boekenonderzoek. Ten aanzien van de vermogensetikettering van het pand was het Hof van oordeel, dat het bedrijfsgedeelte verplicht bedrijfsvermogen vormde vanwege de splitsbaarheid en de intentie tot bedrijfsmatige exploitatie van het totale bedrijfsgedeelte. Er was echter bij compromis afgesproken dat slechts het pizzeriagedeelte werd aangemerkt als ondernemingsvermogen. Volgens het Hof kon uit het volgen van de aangiften bij het opleggen van de aanslagen inkomstenbelasting 1996 en 1997 niet worden afgeleid dat de belastingdienst bewust het standpunt had ingenomen dat de vermogensetikettering juist was. De gemaakte keuze was geen onderwerp van gesprek geweest. Pas bij het onderzoek ontstond twijfel bij de inspecteur over de juistheid van de etikettering van het pand in de aangifte. Er was geen sprake van door de belastingdienst opgewekt vertrouwen op dit punt en dus mocht worden nagevorderd.