Reisaftrek ondanks ontbreken vervoerbewijzen

Werknemers die met openbaar vervoer naar en van hun werk reizen hebben recht op aftrek van de gemaakte reiskosten. Een van de voorwaarden voor aftrek is het bezit van een openbaarvervoerverklaring of van de originele vervoerbewijzen. Een werkneemster die geen openbaarvervoerverklaring had en die de originele vervoerbewijzen niet had bewaard claimde de reisaftrek openbaar vervoer. Als bewijs daarvoor had zij een reisverklaring van haar werkgever, aanvragen via de werkgever van vervoerbewijzen en giroafschriften waaruit betalingen aan de Nederlandse Spoorwegen bleken. De belastingdienst vond dat bewijs onvoldoende en accepteerde de reisaftrek niet. In de procedure die volgde verklaarde de inspecteur dat hij wel aannam dat de werkneemster voor haar woon-werkverkeer het openbaar vervoer had gebruikt en dat zij de kosten daarvan had betaald. Omdat de originele vervoerbewijzen niet konden worden overgelegd, kon hij de reisaftrek niet toestaan. De rechtbank tilde niet zo zwaar aan het ontbreken van de vervoerbewijzen en kende de reisaftrek toe. In hoger beroep handhaafde Hof Amsterdam deze beslissing, zij het op andere gronden. Volgens het Hof hoeven de vervoerbewijzen alleen als bewijs overgelegd te worden als een belastingplichtige niet beschikt over een openbaarvervoerverklaring en als tussen de belastingplichtige en de inspecteur in geschil is of de belastingplichtige wel gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer. Andere vormen van bewijs dan de vervoerbewijzen hoeft de inspecteur niet te accepteren. Als tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer heeft gereisd hoeft er geen bewijs geleverd te worden. Dat betekent dat de vervoerbewijzen dan niet nodig zijn.
Werknemers die met openbaar vervoer naar en van hun werk reizen hebben recht op aftrek van de gemaakte reiskosten. Een van de voorwaarden voor aftrek is het bezit van een openbaarvervoerverklaring of van de originele vervoerbewijzen.
Een werkneemster die geen openbaarvervoerverklaring had en die de originele vervoerbewijzen niet had bewaard claimde de reisaftrek openbaar vervoer. Als bewijs daarvoor had zij een reisverklaring van haar werkgever, aanvragen via de werkgever van vervoerbewijzen en giroafschriften waaruit betalingen aan de Nederlandse Spoorwegen bleken. De belastingdienst vond dat bewijs onvoldoende en accepteerde de reisaftrek niet.
In de procedure die volgde verklaarde de inspecteur dat hij wel aannam dat de werkneemster voor haar woon-werkverkeer het openbaar vervoer had gebruikt en dat zij de kosten daarvan had betaald. Omdat de originele vervoerbewijzen niet konden worden overgelegd, kon hij de reisaftrek niet toestaan. De rechtbank tilde niet zo zwaar aan het ontbreken van de vervoerbewijzen en kende de reisaftrek toe.
In hoger beroep handhaafde Hof Amsterdam deze beslissing, zij het op andere gronden.
Volgens het Hof hoeven de vervoerbewijzen alleen als bewijs overgelegd te worden als een belastingplichtige niet beschikt over een openbaarvervoerverklaring en als tussen de belastingplichtige en de inspecteur in geschil is of de belastingplichtige wel gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer voor het woon-werkverkeer. Andere vormen van bewijs dan de vervoerbewijzen hoeft de inspecteur niet te accepteren. Als tussen partijen niet (meer) in geschil is dat de belastingplichtige met het openbaar vervoer heeft gereisd hoeft er geen bewijs geleverd te worden. Dat betekent dat de vervoerbewijzen dan niet nodig zijn.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u