Recht van lidstaten om keuze voor belaste verhuur te beperken
De Zesde BTW-richtlijn bepaalt onder meer dat diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport die worden verricht door instellingen zonder winstoogmerk zijn vrijgesteld van BTW. Deze richtlijn bevat ook een vrijstelling voor de verhuur en verpachting van onroerende goederen. De lidstaten kunnen in hun wetgeving belastingplichtigen de keuze bieden voor belastingheffing bij de verhuur en verpachting van onroerende goederen. De lidstaten mogen de omvang van dit keuzerecht beperken. De Oostenrijkse wetgeving kent vrijstellingen voor sportverenigingen zonder winstoogmerk en voor de verhuur en verpachting van onroerende goederen. Uitzondering van deze laatste vrijstelling is op verzoek mogelijk. Verder kent de wetgeving een vrijstelling voor prestaties van kleine ondernemers. Ook daarvan kan een ondernemer op verzoek worden uitgezonderd. De Oostenrijkse belastingdienst weigerde een sportvereniging zonder winstoogmerk uit te zonderen van de vrijstelling voor de verhuur van een onroerende zaak, omdat de vereniging niet de keuze zou hebben om af te zien van belastingvrijstelling voor handelingen ter zake van de verhuur en verpachting van onroerend goed. De persoonlijke belastingvrijstelling voor sportverenigingen zonder winstoogmerk zou voorrang hebben op de belastingvrijstelling voor verhuur van onroerend goed. De Oostenrijkse rechter heeft in dat kader prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EG. De eerste vraag is of een lidstaat bij de keuze van belastingplichtigen voor belaste verhuur van onroerende goederen onderscheid mag maken naar de soort verrichtingen of naar groepen van belastingplichtigen. De tweede vraag is of lidstaten de keuze voor belastingheffing zodanig mogen beperken dat sportverenigingen zonder winstoogmerk zijn uitgesloten van de keuzemogelijkheid. Het Hof van Justitie EG beantwoordde de eerste vraag bevestigend met dien verstande dat de doelstellingen en algemene beginselen van de Zesde richtlijn geëerbiedigd moeten worden. Dat geldt met name voor het beginsel van fiscale neutraliteit en de noodzaak van een juiste, eenvoudige en uniforme toepassing van de voorziene vrijstellingen. Op de tweede vraag antwoordde het Hof van Justitie EG dat de nationale rechter moet bepalen of een nationale regel die handelingen van sportverenigingen zonder winstoogmerk algemeen vrijstelt en daarbij het recht van deze verenigingen om voor belastingheffing op verhuur en verpachting te kiezen beperkt, de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de lidstaten overschrijdt.
De Zesde BTW-richtlijn bepaalt onder meer dat diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport die worden verricht door instellingen zonder winstoogmerk zijn vrijgesteld van BTW. Deze richtlijn bevat ook een vrijstelling voor de verhuur en verpachting van onroerende goederen. De lidstaten kunnen in hun wetgeving belastingplichtigen de keuze bieden voor belastingheffing bij de verhuur en verpachting van onroerende goederen. De lidstaten mogen de omvang van dit keuzerecht beperken. De Oostenrijkse wetgeving kent vrijstellingen voor sportverenigingen zonder winstoogmerk en voor de verhuur en verpachting van onroerende goederen. Uitzondering van deze laatste vrijstelling is op verzoek mogelijk. Verder kent de wetgeving een vrijstelling voor prestaties van kleine ondernemers. Ook daarvan kan een ondernemer op verzoek worden uitgezonderd. De Oostenrijkse belastingdienst weigerde een sportvereniging zonder winstoogmerk uit te zonderen van de vrijstelling voor de verhuur van een onroerende zaak, omdat de vereniging niet de keuze zou hebben om af te zien van belastingvrijstelling voor handelingen ter zake van de verhuur en verpachting van onroerend goed. De persoonlijke belastingvrijstelling voor sportverenigingen zonder winstoogmerk zou voorrang hebben op de belastingvrijstelling voor verhuur van onroerend goed. De Oostenrijkse rechter heeft in dat kader prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EG. De eerste vraag is of een lidstaat bij de keuze van belastingplichtigen voor belaste verhuur van onroerende goederen onderscheid mag maken naar de soort verrichtingen of naar groepen van belastingplichtigen. De tweede vraag is of lidstaten de keuze voor belastingheffing zodanig mogen beperken dat sportverenigingen zonder winstoogmerk zijn uitgesloten van de keuzemogelijkheid. Het Hof van Justitie EG beantwoordde de eerste vraag bevestigend met dien verstande dat de doelstellingen en algemene beginselen van de Zesde richtlijn geëerbiedigd moeten worden. Dat geldt met name voor het beginsel van fiscale neutraliteit en de noodzaak van een juiste, eenvoudige en uniforme toepassing van de voorziene vrijstellingen. Op de tweede vraag antwoordde het Hof van Justitie EG dat de nationale rechter moet bepalen of een nationale regel die handelingen van sportverenigingen zonder winstoogmerk algemeen vrijstelt en daarbij het recht van deze verenigingen om voor belastingheffing op verhuur en verpachting te kiezen beperkt, de grenzen van de beoordelingsvrijheid van de lidstaten overschrijdt.