
Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, het hoogste rechtscollege in ons land op het gebied van de sociale verzekeringen, staat slechts in een beperkt aantal gevallen cassatie bij de Hoge Raad open. Het betreft ondermeer de uitleg van het loonbegrip en het werknemersbegrip.
Het Wetboek van Koophandel schrijft voor dat de arbeidsovereenkomst tussen een zeewerkgever en een schepeling op straffe van nietigheid schriftelijk wordt aangegaan en door de schepeling persoonlijk wordt ondertekend. Deze eisen worden gesteld in het belang van de schepeling.
Het UWV weigerde een ziektewet uitkering aan een werknemer die werkte aan boord van een schip dat voer onder de Nederlandse vlag vanwege het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Volgens het UWV was de werknemer op de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid niet verzekerd door het ontbreken van een schriftelijke arbeidsovereenkomst. De Centrale Raad van Beroep deelde deze opvatting.
Volgens de Hoge Raad is deze opvatting niet juist. De Ziektewet omschrijft als werknemer een natuurlijke persoon, die jonger is dan 65 jaar en die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat. Onder een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet volgens de Hoge Raad worden verstaan een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Een nageleefde overeenkomst tussen een zeewerkgever en een schepeling die voldoet aan de kenmerken die het BW hanteert voor een dienstbetrekking en die alleen nietig is omdat niet is voldaan aan de in het Wetboek van Koophandel gestelde formele vereisten, is wel een dienstbetrekking in de zin van de Ziektewet.
De Centrale Raad van Beroep zal de zaak nogmaals moeten behandelen met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad.