Recht op aftrek voorbelasting blijft in stand ondanks niet gebruiken van goed
Een exploitant van onroerende zaken kocht in 1997 een perceel grond van circa 10 hectare, waarop vroeger een hotel had gestaan. Het was de bedoeling van de exploitant om op het perceel woningen te bouwen. De daarvoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan kwam er niet. Uiteindelijk besliste de Raad van State in hoogste instantie dat de exploitant geen recht had op de door hem gevraagde bouwvergunning. De exploitant bracht de hem in het jaar 2001 in rekening gebrachte omzetbelasting ad € 4.095 die betrekking had op het perceel als voorbelasting in aftrek. De inspecteur legde na een controle ter zake een naheffingsaanslag op omdat de exploitant wegens het ontbreken van prestaties tegen vergoeding die op het perceel betrekking hadden geen ondernemer was. Alleen ondernemers hebben recht op aftrek van voorbelasting. Hof Arnhem wees dat standpunt af. De exploitant was ondernemer voor de omzetbelasting, zodat alleen onderzocht moest worden of de ingekochte diensten betrekking hadden op belastbare activiteiten. De exploitant had het voornemen om op het perceel woningen te bouwen en rekende het perceel tot zijn ondernemingsvermogen. Toen de werkzaamheden aan het perceel werden verricht was de aanvraag voor de bouwvergunning nog in behandeling. Het bouwen van woningen is een activiteit die past binnen de exploitatie en ontwikkeling van onroerende zaken. Anders dan de inspecteur meent is voor het recht op aftrek van voorbelasting niet van belang dat het perceel nog niet is bebouwd of gebruikt voor belaste handelingen. Een eenmaal verworven recht op aftrek van voorbelasting blijft bestaan als de ondernemer de goederen door omstandigheden buiten zijn wil niet heeft kunnen gebruiken voor belastbare handelingen. De inspecteur nam verder het standpunt in dat de exploitant ten aanzien van het perceel als bosbouwer moest worden aangemerkt. Bosbouwers vallen onder de landbouwregeling en hebben geen recht op aftrek van voorbelasting, tenzij zij een verzoek om toepassing van de normale regeling hebben gedaan. Volgens het Hof was de landbouwregeling niet van toepassing omdat de exploitant geen prestaties verrichtte die onder deze regeling vielen en ook niet van plan was om dergelijke prestaties te gaan verrichten.
Een exploitant van onroerende zaken kocht in 1997 een perceel grond van circa 10 hectare, waarop vroeger een hotel had gestaan. Het was de bedoeling van de exploitant om op het perceel woningen te bouwen. De daarvoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan kwam er niet. Uiteindelijk besliste de Raad van State in hoogste instantie dat de exploitant geen recht had op de door hem gevraagde bouwvergunning. De exploitant bracht de hem in het jaar 2001 in rekening gebrachte omzetbelasting ad € 4.095 die betrekking had op het perceel als voorbelasting in aftrek. De inspecteur legde na een controle ter zake een naheffingsaanslag op omdat de exploitant wegens het ontbreken van prestaties tegen vergoeding die op het perceel betrekking hadden geen ondernemer was. Alleen ondernemers hebben recht op aftrek van voorbelasting. Hof Arnhem wees dat standpunt af. De exploitant was ondernemer voor de omzetbelasting, zodat alleen onderzocht moest worden of de ingekochte diensten betrekking hadden op belastbare activiteiten. De exploitant had het voornemen om op het perceel woningen te bouwen en rekende het perceel tot zijn ondernemingsvermogen. Toen de werkzaamheden aan het perceel werden verricht was de aanvraag voor de bouwvergunning nog in behandeling. Het bouwen van woningen is een activiteit die past binnen de exploitatie en ontwikkeling van onroerende zaken. Anders dan de inspecteur meent is voor het recht op aftrek van voorbelasting niet van belang dat het perceel nog niet is bebouwd of gebruikt voor belaste handelingen. Een eenmaal verworven recht op aftrek van voorbelasting blijft bestaan als de ondernemer de goederen door omstandigheden buiten zijn wil niet heeft kunnen gebruiken voor belastbare handelingen. De inspecteur nam verder het standpunt in dat de exploitant ten aanzien van het perceel als bosbouwer moest worden aangemerkt. Bosbouwers vallen onder de landbouwregeling en hebben geen recht op aftrek van voorbelasting, tenzij zij een verzoek om toepassing van de normale regeling hebben gedaan. Volgens het Hof was de landbouwregeling niet van toepassing omdat de exploitant geen prestaties verrichtte die onder deze regeling vielen en ook niet van plan was om dergelijke prestaties te gaan verrichten.