Prijsgeven garanties in casu zakelijk maar de vergoeding daarvoor niet
Een in Nederland gevestigd onderdeel van een internationaal opererend bankbedrijf heeft samen met een Duitse dochtermaatschappij aan een bedrijf zeer grote leningen verstrekt. In totaal is ongeveer DM 184 miljoen aan leningen verstrekt. De Duitse dochter heeft een garantie afgegeven voor DM 50 miljoen. Na negatieve publicaties over dat bedrijf besloot de concernleiding het risico te concentreren in de Nederlandse vennootschap. Een andere lening aan het bedrijf werd omgezet in aandelenkapitaal. De garanties van de Duitse dochtermaatschappij kwamen te vervallen, zonder dat deze daarvoor een vergoeding betaalde aan haar moedermaatschappij. Bij een accountantsonderzoek bleek vervolgens dat de financiƫle positie van de debiteur veel slechter was dan werd aangenomen. Het bankbedrijf besloot daarop niet mee te doen aan de reddingsoperatie en deed afstand van haar aandelen. In de aangifte vennootschapsbelasting over 1988 boekte zij de totale lening af tot nihil ten laste van haar winst. De inspecteur weigerde de aftrekpost te accepteren voor zover deze betrekking had op door de Duitse dochtermaatschappij verstrekte bedragen. In de procedure voor het gerechtshof Amsterdam bracht het Hof de correctie terug tot het bedrag, dat de Duitse dochter als vergoeding voor het vervallen van de garanties had moeten betalen aan haar moedermaatschappij. Het hof was van oordeel, dat het prijsgeven van de garanties berustte op zakelijk handelen, maar dat de prijs niet zakelijk was. Er was geen sprake van een aandeelhoudershandeling, die in de kapitaalsfeer plaatsvindt. De Hoge Raad heeft het oordeel van het Hof bevestigd.
Een in Nederland gevestigd onderdeel van een internationaal opererend bankbedrijf heeft samen met een Duitse dochtermaatschappij aan een bedrijf zeer grote leningen verstrekt. In totaal is ongeveer DM 184 miljoen aan leningen verstrekt. De Duitse dochter heeft een garantie afgegeven voor DM 50 miljoen. Na negatieve publicaties over dat bedrijf besloot de concernleiding het risico te concentreren in de Nederlandse vennootschap. Een andere lening aan het bedrijf werd omgezet in aandelenkapitaal. De garanties van de Duitse dochtermaatschappij kwamen te vervallen, zonder dat deze daarvoor een vergoeding betaalde aan haar moedermaatschappij. Bij een accountantsonderzoek bleek vervolgens dat de financiƫle positie van de debiteur veel slechter was dan werd aangenomen. Het bankbedrijf besloot daarop niet mee te doen aan de reddingsoperatie en deed afstand van haar aandelen. In de aangifte vennootschapsbelasting over 1988 boekte zij de totale lening af tot nihil ten laste van haar winst. De inspecteur weigerde de aftrekpost te accepteren voor zover deze betrekking had op door de Duitse dochtermaatschappij verstrekte bedragen. In de procedure voor het gerechtshof Amsterdam bracht het Hof de correctie terug tot het bedrag, dat de Duitse dochter als vergoeding voor het vervallen van de garanties had moeten betalen aan haar moedermaatschappij. Het hof was van oordeel, dat het prijsgeven van de garanties berustte op zakelijk handelen, maar dat de prijs niet zakelijk was. Er was geen sprake van een aandeelhoudershandeling, die in de kapitaalsfeer plaatsvindt. De Hoge Raad heeft het oordeel van het Hof bevestigd.