
In december 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen over de premieplicht van opvarenden van schepen onder de werking van het Rijnvarendenverdrag. Volgens dat arrest volstaat voor de toepasselijkheid van het verdrag dat de schepen waarop iemand als opvarende werkzaam is ook in de Rijnvaart zijn gebruikt. Er wordt niet alleen gekeken naar de periode(n) dat daadwerkelijk op de Rijn gevaren wordt.
Aan de hand van het arrest uit 2011 beoordeelde de rechtbank Arnhem de premieplicht in Nederland van iemand die als kapitein werkzaam was op binnenvaartschepen waarvoor een Rijnvaartverklaring was afgegeven. De kapitein meende dat hij op grond van door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven zogenaamde E-104 en E-106 verklaringen niet premieplichtig was. Volgens die verklaringen was de kapitein in Luxemburg verzekerd omdat zijn werkgever daar was gevestigd. De procedure had betrekking op een reeks van jaren. Volgens de rechtbank waren de verklaringen niet van belang omdat de EU-verordening, op basis waarvan deze verklaringen zijn afgegeven, niet op de kapitein van toepassing was, maar het Rijnvarendenverdrag. Bepalend voor de premieheffing is waar de exploitant van de schepen is gevestigd. Op vrijwel alle Rijnvaartverklaringen waren twee exploitanten vermeld.
Volgens het Rijnvarendenverdrag is op een Rijnvarende slechts de wetgeving van één land van toepassing en kan slechts één ondernemer als exploitant worden aangewezen. De Belastingdienst moest bewijzen wie de werkelijke exploitant van de schepen was. Naar het oordeel van de rechtbank slaagde de Belastingdienst er in twee gevallen niet in te bewijzen wie de exploitant was.
De kapitein was volgens de rechtbank in de jaren 2003, 2004, 2006 en