Premieheffing fictief salaris van in België wonende DGA
Iemand die in België woonde was directeur en groot aandeelhouder (DGA) van vennootschappen in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het jaar 1998 ontving hij geen salaris voor zijn werkzaamheden. De inspecteur stelde het fictieve salaris van de DGA voor de werkzaamheden voor de in Nederland gevestigde vennootschap op ƒ 200.000. De inspecteur vernietigde na bezwaar de opgelegde aanslag inkomstenbelasting, maar liet de aanslag premieheffing volksverzekeringen in stand. Bij de beoordeling van verzekerings- en premieplicht van de DGA werd rekening gehouden met de kwalificaties van de werkzaamheden door de buitenlandse bevoegde instanties. De Britse en de Duitse instanties gaven geen kwalificatie van werkzaamheden omdat zij geen sporen vonden van een professionele activiteit van de DGA in die landen. In België werden de werkzaamheden van de DGA gekwalificeerd als zelfstandige beroepsactiviteiten. In Nederland ging het om in loondienst verrichte werkzaamheden. Deze laatste werkzaamheden vallen onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.
De rechtbank Breda verwees naar rechtspraak van het Hof van Justitie EG waaruit blijkt dat een rechterlijke instantie van een lidstaat niet bevoegd is om de kwalificatie van werkzaamheden door een bevoegde instantie te toetsen. De rechtbank was gelet op de kwalificatie van de werkzaamheden van oordeel dat de DGA in Nederland verzekerings- en premieplichtig was voor het fictieve salaris.
Iemand die in België woonde was directeur en groot aandeelhouder (DGA) van vennootschappen in Nederland, België, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In het jaar 1998 ontving hij geen salaris voor zijn werkzaamheden. De inspecteur stelde het fictieve salaris van de DGA voor de werkzaamheden voor de in Nederland gevestigde vennootschap op ƒ 200.000. De inspecteur vernietigde na bezwaar de opgelegde aanslag inkomstenbelasting, maar liet de aanslag premieheffing volksverzekeringen in stand. Bij de beoordeling van verzekerings- en premieplicht van de DGA werd rekening gehouden met de kwalificaties van de werkzaamheden door de buitenlandse bevoegde instanties. De Britse en de Duitse instanties gaven geen kwalificatie van werkzaamheden omdat zij geen sporen vonden van een professionele activiteit van de DGA in die landen. In België werden de werkzaamheden van de DGA gekwalificeerd als zelfstandige beroepsactiviteiten. In Nederland ging het om in loondienst verrichte werkzaamheden. Deze laatste werkzaamheden vallen onder de Nederlandse sociale verzekeringswetgeving.
De rechtbank Breda verwees naar rechtspraak van het Hof van Justitie EG waaruit blijkt dat een rechterlijke instantie van een lidstaat niet bevoegd is om de kwalificatie van werkzaamheden door een bevoegde instantie te toetsen. De rechtbank was gelet op de kwalificatie van de werkzaamheden van oordeel dat de DGA in Nederland verzekerings- en premieplichtig was voor het fictieve salaris.