Premiecorrectienota moest worden herzien vanwege grotere arbeidsinbreng ondernemer
Het UWV en de FIOD deden gezamenlijk onderzoek naar de loonadministratie van een werkgever. Als gevolg daarvan werden correctienota’s over de jaren 1993 tot en met 1997 opgelegd. Die waren gebaseerd op een schatting van de door de werknemers ontvangen maar in de administratie niet verantwoorde loonbetalingen. De boekhouding van de werkgever werd verworpen, omdat hij niet voldeed aan de administratieve verplichtingen. Tevens werden er boetes opgelegd van 100% van de verschuldigde premies wegens ernstige en omvangrijke fraude. Volgens de Centrale Raad van Beroep had het UWV het aantal arbeidsuren van een vennoot te laag vastgesteld. Uit getuigenverklaringen bleek namelijk dat hij ook andere werkzaamheden had verricht dan de werkzaamheden waarmee het UWV rekening had gehouden. Voor het overige was de schatting die het UWV had gemaakt van de loonbedragen en gewerkte uren op een zorgvuldige en verantwoorde wijze tot stand gekomen. De correctienota’s over de jaren 1993 tot en met 1997 moesten worden aangepast aan de vaststelling van de Centrale Raad van Beroep. Dat had ook gevolgen voor de opgelegde boetes. De strafvervolging van één van de vennoten had niet tot gevolg dat de boetenota’s moesten worden vernietigd, omdat de vervolging op andere gedragingen betrekking had. Er was geen sprake van een situatie waarbij terzake van eenzelfde gedraging zowel een bestuurlijke boete als een strafrechtelijke sanctie was opgelegd. Het Openbaar Ministerie was in de tegen de werkgever ingestelde strafvervolging niet-ontvankelijk verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn voor strafoplegging als bedoeld in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moest het UWV bij het nemen van nieuwe besluiten de boetes matigen tot 50% van de nieuw vast te stellen premies.
Het UWV en de FIOD deden gezamenlijk onderzoek naar de loonadministratie van een werkgever. Als gevolg daarvan werden correctienota’s over de jaren 1993 tot en met 1997 opgelegd. Die waren gebaseerd op een schatting van de door de werknemers ontvangen maar in de administratie niet verantwoorde loonbetalingen. De boekhouding van de werkgever werd verworpen, omdat hij niet voldeed aan de administratieve verplichtingen. Tevens werden er boetes opgelegd van 100% van de verschuldigde premies wegens ernstige en omvangrijke fraude. Volgens de Centrale Raad van Beroep had het UWV het aantal arbeidsuren van een vennoot te laag vastgesteld. Uit getuigenverklaringen bleek namelijk dat hij ook andere werkzaamheden had verricht dan de werkzaamheden waarmee het UWV rekening had gehouden. Voor het overige was de schatting die het UWV had gemaakt van de loonbedragen en gewerkte uren op een zorgvuldige en verantwoorde wijze tot stand gekomen. De correctienota’s over de jaren 1993 tot en met 1997 moesten worden aangepast aan de vaststelling van de Centrale Raad van Beroep. Dat had ook gevolgen voor de opgelegde boetes. De strafvervolging van één van de vennoten had niet tot gevolg dat de boetenota’s moesten worden vernietigd, omdat de vervolging op andere gedragingen betrekking had. Er was geen sprake van een situatie waarbij terzake van eenzelfde gedraging zowel een bestuurlijke boete als een strafrechtelijke sanctie was opgelegd. Het Openbaar Ministerie was in de tegen de werkgever ingestelde strafvervolging niet-ontvankelijk verklaard. Wegens overschrijding van de redelijke termijn voor strafoplegging als bedoeld in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden moest het UWV bij het nemen van nieuwe besluiten de boetes matigen tot 50% van de nieuw vast te stellen premies.