Prejudiciële vragen over toepassing vrijstelling BTW voor vermogensbeheer
De directie van een in vermogensbeheer gespecialiseerde ondernemer werd gevormd door vier besloten vennootschappen. De belastingdienst legde aan een van deze directievennootschappen een naheffingsaanslag omzetbelasting op die betrekking had op de vergoeding die de directievennootschap aan de vermogensbeheerder in rekening had gebracht. De door het personeelslid van de directievennootschap feitelijk verrichte werkzaamheden bestonden in hoofdzaak uit het beheren van twee beleggingsfondsen. Hof Amsterdam was van oordeel dat de werkzaamheden betrekking hadden op een afzonderlijk en zelfstandig deel van de activiteiten van de vermogensbeheerder. Daarop was de vrijstelling van omzetbelasting van toepassing. Het beheer van de fondsen gebeurde zelfstandig met min of meer volledige beoordelingsvrijheid en beslissingsbevoegdheid. Volgens het Hof was de toepassing van de vrijstelling niet afhankelijk van de voorwaarde dat er een rechtsbetrekking is met de uiteindelijke afnemer van de prestatie.Volgens de Hoge Raad is uitleg van communautaire bepalingen nodig. De Hoge Raad heeft aan het Hof van Justitie EG de vraag voorgelegd of de toepassing van de vrijstelling voor beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds enkel afhankelijk is van de aard van de verrichte werkzaamheden, of dat de toepassing mede afhankelijk is van de voorwaarde dat de diensten worden verricht door een ondernemer die een rechtsbetrekking onderhoudt met de beleggers in het fonds. Wanneer de toepassing van voornoemde vrijstelling niet afhankelijk is van deze voorwaarde, rijst de vraag of de directiefunctie bij de vermogensbeheerder verhindert dat sprake is van een dienst van beheer jegens de vermogensbeheerder. De Hoge Raad overwoog dat in het oordeel van het Hof lag besloten dat de overeenkomst met de vermogensbeheerder in wezen inhield dat de directievennootschap zich verbond tot beheer van bepaalde beleggingsfondsen. Desalniettemin zou kunnen worden betoogd dat de werkzaamheden die een directeur van een vennootschap verricht voor de heffing van BTW altijd directiewerkzaamheden zijn, ongeacht de aard van verrichte activiteiten.
De directie van een in vermogensbeheer gespecialiseerde ondernemer werd gevormd door vier besloten vennootschappen. De belastingdienst legde aan een van deze directievennootschappen een naheffingsaanslag omzetbelasting op die betrekking had op de vergoeding die de directievennootschap aan de vermogensbeheerder in rekening had gebracht. De door het personeelslid van de directievennootschap feitelijk verrichte werkzaamheden bestonden in hoofdzaak uit het beheren van twee beleggingsfondsen. Hof Amsterdam was van oordeel dat de werkzaamheden betrekking hadden op een afzonderlijk en zelfstandig deel van de activiteiten van de vermogensbeheerder. Daarop was de vrijstelling van omzetbelasting van toepassing. Het beheer van de fondsen gebeurde zelfstandig met min of meer volledige beoordelingsvrijheid en beslissingsbevoegdheid. Volgens het Hof was de toepassing van de vrijstelling niet afhankelijk van de voorwaarde dat er een rechtsbetrekking is met de uiteindelijke afnemer van de prestatie.Volgens de Hoge Raad is uitleg van communautaire bepalingen nodig. De Hoge Raad heeft aan het Hof van Justitie EG de vraag voorgelegd of de toepassing van de vrijstelling voor beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds enkel afhankelijk is van de aard van de verrichte werkzaamheden, of dat de toepassing mede afhankelijk is van de voorwaarde dat de diensten worden verricht door een ondernemer die een rechtsbetrekking onderhoudt met de beleggers in het fonds. Wanneer de toepassing van voornoemde vrijstelling niet afhankelijk is van deze voorwaarde, rijst de vraag of de directiefunctie bij de vermogensbeheerder verhindert dat sprake is van een dienst van beheer jegens de vermogensbeheerder. De Hoge Raad overwoog dat in het oordeel van het Hof lag besloten dat de overeenkomst met de vermogensbeheerder in wezen inhield dat de directievennootschap zich verbond tot beheer van bepaalde beleggingsfondsen. Desalniettemin zou kunnen worden betoogd dat de werkzaamheden die een directeur van een vennootschap verricht voor de heffing van BTW altijd directiewerkzaamheden zijn, ongeacht de aard van verrichte activiteiten.