Prejudiciële vragen over douanerechten na actieve veredeling

Een BV had een vergunning actieve veredeling om zonder heffing van douanerechten goederen te kunnen invoeren die zij als onderdelen gebruikte bij de vervaardiging van machines of als reserveonderdelen leverde aan haar afnemers. Een deel van de machines werd afgezet buiten de EU. Een ander deel van de machines en de invoergoederen werd in het vrije verkeer gebracht. Bij beëindiging van de regeling voor actieve veredeling door het in het vrije verkeer brengen van de machines of de ingevoerde goederen moest de BV steeds een verzoek om zuivering indienen onder opgaaf per soort en hoeveelheid. In 2001 diende de BV een verzoek om terugbetaling van € 1.000.000 aan douanerechten in op grond van het Communautair Douanewetboek (CDW). Voor de Douanekamer van Hof Amsterdam was in geschil of de inspecteur het verzoek om terugbetaling terecht had afgewezen. De BV meende dat de inspecteur bij de vaststelling van de douaneschuld van de verkeerde bepalingen van het CDW was uitgegaan. In plaats daarvan had hij het nihiltarief voor veredelingsproducten moeten hanteren op het tijdstip waarop de douaneschuld ontstond. De Douanekamer twijfelde over de vraag welke bepaling moest worden toegepast bij de berekening van de douaneschuld en legde daarom prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EG. De eerste vraag was of bij veredelingsgoederen, die geacht worden in het vrije verkeer te zijn gebracht, de douaneschuld ook zonder voorafgaand verzoek van de belanghebbende moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 122 CDW. Indien dat niet het geval zou zijn moet dan een achteraf, na berekening van de douaneschuld aan de hand van artikel 121 CDW, gedaan verzoek om terugbetaling c.q. herrekening van de douaneschuld worden ingewilligd? In afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie EG houdt de Douanekamer iedere verdere beslissing aan.
Een BV had een vergunning actieve veredeling om zonder heffing van douanerechten goederen te kunnen invoeren die zij als onderdelen gebruikte bij de vervaardiging van machines of als reserveonderdelen leverde aan haar afnemers. Een deel van de machines werd afgezet buiten de EU. Een ander deel van de machines en de invoergoederen werd in het vrije verkeer gebracht. Bij beëindiging van de regeling voor actieve veredeling door het in het vrije verkeer brengen van de machines of de ingevoerde goederen moest de BV steeds een verzoek om zuivering indienen onder opgaaf per soort en hoeveelheid. In 2001 diende de BV een verzoek om terugbetaling van € 1.000.000 aan douanerechten in op grond van het Communautair Douanewetboek (CDW). Voor de Douanekamer van Hof Amsterdam was in geschil of de inspecteur het verzoek om terugbetaling terecht had afgewezen. De BV meende dat de inspecteur bij de vaststelling van de douaneschuld van de verkeerde bepalingen van het CDW was uitgegaan. In plaats daarvan had hij het nihiltarief voor veredelingsproducten moeten hanteren op het tijdstip waarop de douaneschuld ontstond. De Douanekamer twijfelde over de vraag welke bepaling moest worden toegepast bij de berekening van de douaneschuld en legde daarom prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie EG. De eerste vraag was of bij veredelingsgoederen, die geacht worden in het vrije verkeer te zijn gebracht, de douaneschuld ook zonder voorafgaand verzoek van de belanghebbende moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 122 CDW. Indien dat niet het geval zou zijn moet dan een achteraf, na berekening van de douaneschuld aan de hand van artikel 121 CDW, gedaan verzoek om terugbetaling c.q. herrekening van de douaneschuld worden ingewilligd? In afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie EG houdt de Douanekamer iedere verdere beslissing aan.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u