Prejudiciële vragen over conserverende aanslag AB bij emigratie

Met ingang van 1 januari 1997 is er bij emigratie sprake van een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang. Hierdoor wordt bij emigratie de waardeaangroei van aanmerkelijkbelangaandelen sedert hun verkrijging belast. Iemand die naar het buitenland verhuisde, ontving een aanslag inkomstenbelasting waarin ook belasting over de meerwaarde van zijn aanmerkelijkbelangaandelen begrepen was. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag en kwam vervolgens in beroep bij Hof Arnhem. De emigrant was van mening, dat het opleggen van een aanslag over niet gerealiseerde winst een ontoelaatbare belemmering vormt van het vrije verkeer, zoals dat in het EG-verdrag wordt gewaarborgd. Door de regeling is er verschil in behandeling tussen een verhuizing naar het buitenland en een verhuizing in Nederland. De inspecteur was van mening, dat de emigrant geen beroep op het EG-verdrag kon doen, omdat hij niet direct na zijn emigratie een economische activiteit in de andere lidstaat van de EG was begonnen. Naar het oordeel van het Hof laat een aantal vragen in deze procedure zich niet beantwoorden aan de hand van de tekst van het EG-verdrag of de bestaande jurisprudentie van het Hof van Justitie EG. Daarom heeft het Hof vragen aan het Hof van Justitie gesteld. De eerste vraag is of voor een beroep op het EG-verdrag bij verhuizing vereist is dat er op dat moment een concreet voornemen bestond voor een economische activiteit in een andere lidstaat. Zo niet, dan is de vraag of het verrichten van activiteiten moet aanvangen binnen een afzienbare periode na de verhuizing. De vervolgvraag welke grens aan die periode moet worden gesteld kan het Hof ook niet beantwoorden. Een andere vraag is of het EG-verdrag een (onbeperkt) vertrekrecht uit de woonstaat inhoudt. Die vraag is volgens Hof Arnhem nog niet aan de orde geweest in de rechtspraak van het HvJ EG. Ook in het arrest-De Lasteyrie du Saillant is het antwoord op die vraag niet ondubbelzinnig te lezen. De emigrant was van mening, dat de Nederlandse regeling van belastingheffing over fictieve vervreemdingswinst op aanmerkelijk belangaandelen bij emigratie in strijd is met het gemeenschapsrecht, omdat de belastingschuld ontstaat door het verplaatsen van de woonplaats naar een plaats buiten de landsgrens. Volgens hem vormt het enkele opleggen van een aanslag al een belemmering. Dat inmiddels geen zekerheid meer hoeft te worden gesteld voor uitstel van betaling houdt volgens de emigrant niet in, dat bij het opleggen van de aanslag door de eis van het stellen van zekerheid geen belemmering werd opgeworpen. Het Hof is geneigd om te oordelen dat het opleggen van een aanslag bij emigratie een belemmering vormt van de vestigingsvrijheid. Niet duidelijk is of de vraag of het verlenen van zekerheid een belemmering vormt moet worden beoordeeld naar de huidige situatie nu de verleende zekerheden zijn vrijgegeven of naar de situatie bij het opleggen van de aanslag. Naar het oordeel van het Hof kan die vraag met behulp van de tot op heden verschenen rechtspraak van het HvJ EG niet worden beantwoord. Vervolgens is de vraag of de aanslag in stand kan blijven nu de ontvanger de zekerheidstelling heeft vrijgegeven. Tenslotte legt het Hof aan het HvJ EG de vraag voor of er een redelijke rechtvaardiging is voor de belemmering.
Met ingang van 1 januari 1997 is er bij emigratie sprake van een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang. Hierdoor wordt bij emigratie de waardeaangroei van aanmerkelijkbelangaandelen sedert hun verkrijging belast. Iemand die naar het buitenland verhuisde, ontving een aanslag inkomstenbelasting waarin ook belasting over de meerwaarde van zijn aanmerkelijkbelangaandelen begrepen was. Hij maakte bezwaar tegen de aanslag en kwam vervolgens in beroep bij Hof Arnhem. De emigrant was van mening, dat het opleggen van een aanslag over niet gerealiseerde winst een ontoelaatbare belemmering vormt van het vrije verkeer, zoals dat in het EG-verdrag wordt gewaarborgd. Door de regeling is er verschil in behandeling tussen een verhuizing naar het buitenland en een verhuizing in Nederland. De inspecteur was van mening, dat de emigrant geen beroep op het EG-verdrag kon doen, omdat hij niet direct na zijn emigratie een economische activiteit in de andere lidstaat van de EG was begonnen. Naar het oordeel van het Hof laat een aantal vragen in deze procedure zich niet beantwoorden aan de hand van de tekst van het EG-verdrag of de bestaande jurisprudentie van het Hof van Justitie EG. Daarom heeft het Hof vragen aan het Hof van Justitie gesteld. De eerste vraag is of voor een beroep op het EG-verdrag bij verhuizing vereist is dat er op dat moment een concreet voornemen bestond voor een economische activiteit in een andere lidstaat. Zo niet, dan is de vraag of het verrichten van activiteiten moet aanvangen binnen een afzienbare periode na de verhuizing. De vervolgvraag welke grens aan die periode moet worden gesteld kan het Hof ook niet beantwoorden. Een andere vraag is of het EG-verdrag een (onbeperkt) vertrekrecht uit de woonstaat inhoudt. Die vraag is volgens Hof Arnhem nog niet aan de orde geweest in de rechtspraak van het HvJ EG. Ook in het arrest-De Lasteyrie du Saillant is het antwoord op die vraag niet ondubbelzinnig te lezen. De emigrant was van mening, dat de Nederlandse regeling van belastingheffing over fictieve vervreemdingswinst op aanmerkelijk belangaandelen bij emigratie in strijd is met het gemeenschapsrecht, omdat de belastingschuld ontstaat door het verplaatsen van de woonplaats naar een plaats buiten de landsgrens. Volgens hem vormt het enkele opleggen van een aanslag al een belemmering. Dat inmiddels geen zekerheid meer hoeft te worden gesteld voor uitstel van betaling houdt volgens de emigrant niet in, dat bij het opleggen van de aanslag door de eis van het stellen van zekerheid geen belemmering werd opgeworpen. Het Hof is geneigd om te oordelen dat het opleggen van een aanslag bij emigratie een belemmering vormt van de vestigingsvrijheid. Niet duidelijk is of de vraag of het verlenen van zekerheid een belemmering vormt moet worden beoordeeld naar de huidige situatie nu de verleende zekerheden zijn vrijgegeven of naar de situatie bij het opleggen van de aanslag. Naar het oordeel van het Hof kan die vraag met behulp van de tot op heden verschenen rechtspraak van het HvJ EG niet worden beantwoord. Vervolgens is de vraag of de aanslag in stand kan blijven nu de ontvanger de zekerheidstelling heeft vrijgegeven. Tenslotte legt het Hof aan het HvJ EG de vraag voor of er een redelijke rechtvaardiging is voor de belemmering.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u