Prejudiciële vraag koepelvrijstelling
De Wet op de Omzetbelasting kent een vrijstelling voor diensten door zelfstandige groeperingen van personen die ieder vrijgestelde prestaties verrichten aan leden van de groeperingen. De vrijstelling geldt alleen voor diensten die de leden direct nodig hebben voor hun vrijgestelde activiteiten. De groepering moet van haar leden terugbetaling eisen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven. De vrijstelling mag niet tot concurrentievervalsing leiden.
In een procedure over deze vrijstelling was de vraag of voldaan was aan de voorwaarde van terugbetaling van het aandeel van de leden in de gezamenlijke uitgaven.
De vrijstelling in de wet berust op een Europese richtlijn. De gevraagde vergoeding voor de aan de leden verrichte diensten overschreed de kostprijs niet. De vraag is of door het in rekening brengen van de werkelijke kosten is voldaan aan de voorwaarde dat van de leden hun aandeel in de gezamenlijke kosten wordt gevorderd. Deze voorwaarde kan zo worden uitgelegd dat deze is beperkt tot het met een bepaalde verdeelsleutel doorberekenen van de kosten van de werkzaamheden voor alle leden gezamenlijk. Een andere uitleg van de voorwaarde is dat deze betrekking heeft op alle diensten van de groepering aan haar leden, mits de vergoeding niet hoger is dan de daarvoor gemaakte kosten.
De ratio van de vrijstelling is het bevorderen van de fiscale neutraliteit. Dat lijkt voor de laatste, ruime uitleg te pleiten. Omdat het gaat om de uitleg van gemeenschapsrecht heeft de Hoge Raad deze vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EG.
De Wet op de Omzetbelasting kent een vrijstelling voor diensten door zelfstandige groeperingen van personen die ieder vrijgestelde prestaties verrichten aan leden van de groeperingen. De vrijstelling geldt alleen voor diensten die de leden direct nodig hebben voor hun vrijgestelde activiteiten. De groepering moet van haar leden terugbetaling eisen van hun aandeel in de gezamenlijke uitgaven. De vrijstelling mag niet tot concurrentievervalsing leiden.
In een procedure over deze vrijstelling was de vraag of voldaan was aan de voorwaarde van terugbetaling van het aandeel van de leden in de gezamenlijke uitgaven.
De vrijstelling in de wet berust op een Europese richtlijn. De gevraagde vergoeding voor de aan de leden verrichte diensten overschreed de kostprijs niet. De vraag is of door het in rekening brengen van de werkelijke kosten is voldaan aan de voorwaarde dat van de leden hun aandeel in de gezamenlijke kosten wordt gevorderd. Deze voorwaarde kan zo worden uitgelegd dat deze is beperkt tot het met een bepaalde verdeelsleutel doorberekenen van de kosten van de werkzaamheden voor alle leden gezamenlijk. Een andere uitleg van de voorwaarde is dat deze betrekking heeft op alle diensten van de groepering aan haar leden, mits de vergoeding niet hoger is dan de daarvoor gemaakte kosten.
De ratio van de vrijstelling is het bevorderen van de fiscale neutraliteit. Dat lijkt voor de laatste, ruime uitleg te pleiten. Omdat het gaat om de uitleg van gemeenschapsrecht heeft de Hoge Raad deze vraag voorgelegd aan het Hof van Justitie EG.