
Met behulp van een persoonsgebonden budget (PGB) kunnen mensen die zorg nodig hebben (de zogenaamde zorgvragers) zelf bepalen bij wie zij de benodigde zorg inkopen. De zorgvrager moet aan de Sociale Verzekeringsbank verantwoorden hoe hij het budget heeft besteed. Daarbij hoort ondermeer een opgave van de persoon of instantie bij wie de zorg is ingekocht. Met die persoon of instantie moet de zorgvrager een zorgovereenkomst sluiten.
De inspecteur rekende het PGB dat een man had ontvangen toe aan zijn echtgenote als inkomsten uit overige werkzaamheden. De inspecteur beschikte niet over een tussen man en vrouw gesloten zorgovereenkomst en evenmin over bewijzen van betalingen door de man aan zijn vrouw voor door haar verleende zorg. De echtgenote ontkende dat zij een zorgovereenkomst met haar man zou hebben gesloten of betalingen voor verleende zorg zou hebben ontvangen. Volgens haar was het PGB besteed aan de aanschaf van voor een gehandicapte aangepaste zaken. Hof den Haag was van oordeel dat de mogelijkheid van onjuiste besteding van het hem toegekende PGB door de man geen reden was voor correctie van het inkomen van zijn vrouw. De sanctie op onjuiste besteding van een PGB is terugbetaling aan de uitkerende instantie.