Personenauto versus bestelauto van de zaak: geen gelijke gevallen

De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit uit 2002 voor een bepaalde categorie bestelauto’s van de zaak een gunstigere regeling gegeven voor woon-werkverkeer dan voor personenauto’s van de zaak. Een werknemer met een personenauto van de zaak voelde zich daardoor benadeeld. Naar zijn mening was er geen verschil in gebruik en dus geen reden voor een verschillende behandeling van een bestelauto en een personenauto. Het bedoelde goedkeurende beleid gold voor bestelauto’s waarvan het privégebruik door aard of inrichting werd beperkt en waarvan het privégebruik uitsluitend regelmatig woon-werkverkeer betrof. De bijtelling bedroeg in die gevallen 2,5% van de waarde van de bestelauto met een maximum bijtelling van € 450 per jaar. De bijtelling voor de werknemer in deze procedure bedroeg 10% van de cataloguswaarde van de auto omdat hij naast het woon-werkverkeer in 2002 397 kilometers privé had gereden. Zowel vanwege het echte privégebruik als vanwege de afwijkende eigenschappen van de personenauto was geen sprake van gelijke gevallen die gelijk behandeld moeten worden. Voor zover al sprake zou zijn van gelijke gevallen die door het in het besluit vervatte beleid ongelijk behandeld zouden worden was daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging te vinden in het beperkte feitelijke privégenot van een bestelauto en het daaruit voortvloeiende beperkte beloningsvoordeel.
De staatssecretaris van Financiën heeft in een besluit uit 2002 voor een bepaalde categorie bestelauto’s van de zaak een gunstigere regeling gegeven voor woon-werkverkeer dan voor personenauto’s van de zaak. Een werknemer met een personenauto van de zaak voelde zich daardoor benadeeld. Naar zijn mening was er geen verschil in gebruik en dus geen reden voor een verschillende behandeling van een bestelauto en een personenauto.
Het bedoelde goedkeurende beleid gold voor bestelauto’s waarvan het privégebruik door aard of inrichting werd beperkt en waarvan het privégebruik uitsluitend regelmatig woon-werkverkeer betrof. De bijtelling bedroeg in die gevallen 2,5% van de waarde van de bestelauto met een maximum bijtelling van € 450 per jaar.
De bijtelling voor de werknemer in deze procedure bedroeg 10% van de cataloguswaarde van de auto omdat hij naast het woon-werkverkeer in 2002 397 kilometers privé had gereden. Zowel vanwege het echte privégebruik als vanwege de afwijkende eigenschappen van de personenauto was geen sprake van gelijke gevallen die gelijk behandeld moeten worden. Voor zover al sprake zou zijn van gelijke gevallen die door het in het besluit vervatte beleid ongelijk behandeld zouden worden was daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging te vinden in het beperkte feitelijke privégenot van een bestelauto en het daaruit voortvloeiende beperkte beloningsvoordeel.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u