Periodieke uitkering uit trust is tegenwaarde voor prestatie

Op grond van een testament naar Engels recht stelde iemand bij zijn overlijden ter verzorging van de erfgenamen een trust in. Een van de begunstigden van de trust was de weduwe. Zij woonde in Nederland en had recht op een jaarlijkse uitkering van 10.000 pond tot aan haar overlijden of hertrouwen. In het jaar 1996 ontving de weduwe uit de trust een uitkering van ƒ 440.000 die betrekking had op de jaren 1985 tot en met 1996. De uitkeringen uit de trust waren zogenaamde in rechte vorderbare periodieke uitkeringen. De vraag was echter op grond van welke bepaling van de Wet IB 1964 deze uitkeringen belast moesten worden. Wanneer de periodieke uitkeringen hun grond vonden in een tegenprestatie zouden de uitkeringen volgens de saldomethode belast zijn. Dat betekent dat de uitkeringen pas belast zouden worden vanaf het moment waarop het totaal van de uitkeringen meer bedroeg dan de tegenprestatie. In het andere geval zouden de gehele uitkeringen belast zijn. Volgens Hof Den Haag vonden de periodieke uitkeringen hun grond niet in een tegenprestatie omdat de weduwe daar niets voor had opgeofferd. Dus waren de uitkeringen integraal belast. De Hoge Raad was het met dat oordeel niet eens. De vraag of een periodieke uitkering de tegenwaarde voor een prestatie vormt moet worden beoordeeld vanuit de positie van de schuldenaar van de periodieke uitkering. Volgens de Hoge Raad was het onderbrengen van het nagelaten vermogen in een trust door de overleden echtgenoot de prestatie, waaruit de verplichting tot het doen van uitkeringen aan de weduwe was ontstaan. De waarde van de prestatie moet volgens de Hoge Raad gesteld worden op de contante waarde van de aan de weduwe toekomende uitkeringen op het tijdstip waarop het vermogen aan de trust ter beschikking werd gesteld.De Hoge Raad heeft op dezelfde dag arrest gewezen in een vergelijkbare zaak over een Amerikaanse trust.
Op grond van een testament naar Engels recht stelde iemand bij zijn overlijden ter verzorging van de erfgenamen een trust in. Een van de begunstigden van de trust was de weduwe. Zij woonde in Nederland en had recht op een jaarlijkse uitkering van 10.000 pond tot aan haar overlijden of hertrouwen. In het jaar 1996 ontving de weduwe uit de trust een uitkering van ƒ 440.000 die betrekking had op de jaren 1985 tot en met 1996. De uitkeringen uit de trust waren zogenaamde in rechte vorderbare periodieke uitkeringen. De vraag was echter op grond van welke bepaling van de Wet IB 1964 deze uitkeringen belast moesten worden. Wanneer de periodieke uitkeringen hun grond vonden in een tegenprestatie zouden de uitkeringen volgens de saldomethode belast zijn. Dat betekent dat de uitkeringen pas belast zouden worden vanaf het moment waarop het totaal van de uitkeringen meer bedroeg dan de tegenprestatie. In het andere geval zouden de gehele uitkeringen belast zijn. Volgens Hof Den Haag vonden de periodieke uitkeringen hun grond niet in een tegenprestatie omdat de weduwe daar niets voor had opgeofferd. Dus waren de uitkeringen integraal belast. De Hoge Raad was het met dat oordeel niet eens. De vraag of een periodieke uitkering de tegenwaarde voor een prestatie vormt moet worden beoordeeld vanuit de positie van de schuldenaar van de periodieke uitkering. Volgens de Hoge Raad was het onderbrengen van het nagelaten vermogen in een trust door de overleden echtgenoot de prestatie, waaruit de verplichting tot het doen van uitkeringen aan de weduwe was ontstaan. De waarde van de prestatie moet volgens de Hoge Raad gesteld worden op de contante waarde van de aan de weduwe toekomende uitkeringen op het tijdstip waarop het vermogen aan de trust ter beschikking werd gesteld.De Hoge Raad heeft op dezelfde dag arrest gewezen in een vergelijkbare zaak over een Amerikaanse trust.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u