
Voor professionele voetballers bestaat een pensioenregeling. Betaald voetbalorganisaties zijn verplicht om aan hun contractspelers een aanspraak toe te kennen op één of meer pensioenuitkeringen. De pensioenregeling is ondergebracht bij een stichting. De pensioenregeling kende de mogelijkheid van dispensatie voor buitenlandse spelers die gebruik maakten van de 35%-regeling. Wanneer dispensatie is verleend houdt de club geen pensioenpremie in op het loon van de betreffende contractspeler. Een eventueel saldo van ingehouden premies minus kosten en onttrekkingen voor weduwen- en wezenpensioen wordt dan door de stichting aan de club uitgekeerd. De club betaalt dit bedrag onder inhouding van loonheffing door aan de betreffende speler.
De belastingdienst legde naheffingsaanslagen loonheffing op aan de pensioenstichting voor het verschil tussen de door de clubs op uitbetaalde bedragen ingehouden loonheffing en het bedrag dat volgens de belastingdienst had moeten worden ingehouden door de stichting zonder toepassing van de 35%-regeling. Volgens Hof Amsterdam had de belastingdienst de stichting terecht als inhoudingsplichtige aangemerkt en eveneens terecht verzuimboeten opgelegd.
De club speelde bij het verzoek om dispensatie en de ontvangst en doorbetaling van de afkoopsom van het pensioen volgens het hof slechts de rol van intermediair. Dat oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.