
Nieuwe leden van een golfclub moesten bij hun toetreding entreegeld betalen. Daarnaast betaalden de leden jaarlijks een speelvergoeding. Volgens overeenkomst werd het betaalde entreegeld voor minimaal 70% gerestitueerd bij het beëindigen van het lidmaatschap, mits er op dat moment tenminste 10 personen op de wachtlijst staan. Jaarlijks zegt ongeveer 10% van de leden het lidmaatschap van de golfclub op. Over de jaren 2004 tot en met 2009 is in totaal ruim € 500.000 entreegeld gerestitueerd. Op de balans per 31 december 2003 stond een verplichting tot terugbetaling van entreegelden voor een bedrag van € 1.365.000.
In de periode van 1994 tot en met 2003 was voor een bedrag van € 1.375.000 geïnvesteerd in de aanleg van de golfbaan en de driving range. De afschrijvingen op deze investeringen bedroegen in dezelfde periode in totaal ruim € 700.000. Bij het opleggen van de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2003 corrigeerde de inspecteur de verplichting tot terugbetaling van entreegelden voor het gehele bedrag en de afschrijvingen voor een bedrag van € 569.000.
Voor Hof Arnhem was in geschil of de exploitant van de golfbaan een passiefpost voor de verplichting tot terugbetaling van entreegelden mocht opnemen en of de exploitant mocht afschrijven op de investeringen in de golfbaan en de driving range. Volgens het hof was het toegestaan om een passiefpost op te nemen voor de terugbetalingsverplichting van ontvangen entreegelden. De Hoge Raad deelt deze opvatting. Het hof vond, ervan uitgaande dat jaarlijks ongeveer 10% van de leden het lidmaatschap opzegt, dat de hoogte van de passiefpost kon worden gesteld op de contante waarde van de te verwachten terugbetalingen in de komende tien jaren. De Hoge Raad beperkte de passiefpost tot 70% van het entreegeld dat de op de balansdatum aanwezige leden hadden betaald.
Het hof was verder van oordeel dat niet op de investeringen in de golfbaan en de driving range kon worden afgeschreven. Reden hiervoor was dat het hof niet aannemelijk vond dat op de balansdatum een risico bestond dat het recht van erfpacht van de grond niet zou worden verlengd na afloop van de lopende periode. Dat oordeel van het hof is volgens de Hoge Raad onvoldoende gemotiveerd, omdat daaruit niet zonder meer voortvloeit dat niet sprake is van een investering in het recht van erfpacht die door tijdsverloop aan waarde inboet.
De Hoge Raad heeft de zaak daarom verwezen naar Hof Den Bosch.