
De Wet Werk en Bijstand kent een regeling op grond waarvan personen geacht worden een gezamenlijke huishouding te hebben wanneer zij op hetzelfde adres wonen en een kind van een van hen door de ander is erkend. Op grond van deze regeling trok een gemeente een toegekende bijstandsuitkering in en vorderde deze terug. De belanghebbende meende dat dit in strijd was met het in het EVRM opgenomen recht op respect voor het familie- of gezinsleven. Volgens de Hoge Raad tast de regeling van de WWB het recht op respect voor het familie- of gezinsleven niet aan.