
De staatssecretaris van Financiƫn heeft in een brief aan de Tweede Kamer een uiteenzetting gegeven van het partnerbegrip in de belastingwetgeving. Momenteel kennen diverse belastingwetten hun eigen regeling van het partnerbegrip. De belangrijkste zijn de Wet Inkomstenbelasting 2001, de Successiewet en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). De staatssecretaris wil in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een basis partnerbegrip invoeren met de gemeenschappelijke kenmerken. Het gaat dan om echtgenoten, geregistreerde partners en ongehuwden met een notarieel samenlevingscontract. In de verschillende heffingswetten kunnen dan specifieke aanvullingen op het basisbegrip worden opgenomen. Voor inkomensafhankelijke regelingen die onder de Awir vallen is de draagkracht van beide partners bepalend voor de hoogte van de tegemoetkoming. De gekozen samenlevingsvorm is niet van belang. Ook in de Wet IB 2001 is in een aantal gevallen de gezinsdraagkracht bepalend, los van de gekozen samenlevingsvorm.
De voorkeur gaat uit naar objectief controleerbare criteria voor het partnerschap, zoals het hebben van kinderen. De onderlinge verbondenheid tussen de samenwoners gaat dan verder dan het behalen van schaalvoordelen. Dergelijke objectieve criteria leiden tot verplicht partnerschap. De keuzemogelijkheid voor fiscaal partnerschap van ongehuwd samenwonende in de Wet IB 2001 vervalt in deze opzet.
Anders dan in de Wet IB 2001 en de Awir is in de Successiewet de verzorgingsgedachte een onmisbaar element in het partnerbegrip. De verzorgingsgedachte is de reden voor de lage tarieven en de hoge partnervrijstelling. Echtgenoten en geregistreerde partners hebben een wettelijke wederzijdse zorgplicht. Daarmee vallen zij zonder meer onder het (basis)partnerbegrip. Twee personen die na hun 18e jaar een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, komen voor het partnerschap in aanmerking als zij in een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgplicht hebben vastgelegd. Hiermee wordt aangesloten bij het basisbegrip, met aanvullende voorwaarden op het gebied van verwantschap, leeftijd en de inhoud van het samenlevingscontract. De gemeenschappelijke huishouding moet tot aan het overlijden tenminste zes maanden hebben geduurd en ingeval van schenking tenminste 24 maanden. Inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie op hetzelfde adres is een voorwaarde voor de gemeenschappelijke huishouding.
Het nieuwe partnerbegrip is beperkter dan het huidige. Nu kan iemand uitsluitend op grond van langdurig samen in een huis wonen in aanmerking komen voor een verhoogde vrijstelling en een laag tarief. Ook een partnerschap tussen ouders en kinderen is niet langer mogelijk.