Partijen gebonden aan compromis ondanks latere andere jurisprudentie
Iemand sloot met de belastingdienst een zogenaamde vaststellingsovereenkomst. In die overeenkomst was een regeling opgenomen voor de pensioenvoorziening. De belastingplichtige wilde de ingangsdatum daarvan uitstellen tot zijn 70e verjaardag. De belastingdienst meende dat het gevolg daarvan was dat de gehele pensioenaanspraak belast zou zijn. Daarom kwamen partijen overeen, dat zij zouden handelen alsof de pensioenvoorziening wel op de 65 jarige leeftijd was ingegaan. De overeenkomst had betrekking op de aanslagen inkomstenbelasting vanaf 1996 en de aanslagen vermogensbelasting vanaf 1997 en werd afgerond in het voorjaar van 2001. De belastingplichtige vond echter, dat hij daaraan niet was gebonden omdat in de periode tussen ondertekening door de inspecteur en door zijn gemachtigde nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad was verschenen. In die uitspraak oordeelde de Hoge Raad, dat uitstel van de ingangsdatum van een pensioen alleen tot belastingheffing leidt als de omvang van de pensioenrechten na het uitstel uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht. Hof Arnhem was van oordeel, dat partijen aan de vaststellingsovereenkomst gebonden waren. Al geruime tijd voor de ondertekening hadden zij overeenstemming bereikt, maar de afronding had langere tijd geduurd omdat er enkele berekeningen gemaakt moesten worden. Volgens het Hof konden de partijen, gelet op de voor het jaar 1996 geldende wetgeving en de stand van de jurisprudentie bij het sluiten van de principeovereenkomst, tot de gekozen overeenstemming komen. Dan kan er niet van de overeenkomst worden afgeweken.
Iemand sloot met de belastingdienst een zogenaamde vaststellingsovereenkomst. In die overeenkomst was een regeling opgenomen voor de pensioenvoorziening. De belastingplichtige wilde de ingangsdatum daarvan uitstellen tot zijn 70e verjaardag. De belastingdienst meende dat het gevolg daarvan was dat de gehele pensioenaanspraak belast zou zijn. Daarom kwamen partijen overeen, dat zij zouden handelen alsof de pensioenvoorziening wel op de 65 jarige leeftijd was ingegaan. De overeenkomst had betrekking op de aanslagen inkomstenbelasting vanaf 1996 en de aanslagen vermogensbelasting vanaf 1997 en werd afgerond in het voorjaar van 2001. De belastingplichtige vond echter, dat hij daaraan niet was gebonden omdat in de periode tussen ondertekening door de inspecteur en door zijn gemachtigde nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad was verschenen. In die uitspraak oordeelde de Hoge Raad, dat uitstel van de ingangsdatum van een pensioen alleen tot belastingheffing leidt als de omvang van de pensioenrechten na het uitstel uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht. Hof Arnhem was van oordeel, dat partijen aan de vaststellingsovereenkomst gebonden waren. Al geruime tijd voor de ondertekening hadden zij overeenstemming bereikt, maar de afronding had langere tijd geduurd omdat er enkele berekeningen gemaakt moesten worden. Volgens het Hof konden de partijen, gelet op de voor het jaar 1996 geldende wetgeving en de stand van de jurisprudentie bij het sluiten van de principeovereenkomst, tot de gekozen overeenstemming komen. Dan kan er niet van de overeenkomst worden afgeweken.