
Gemeentelijke belastingen zijn gebonden aan de in de Gemeentewet opgenomen beperking dat de geraamde opbrengsten de geraamde lasten niet mogen overschrijden. Bij het instellen van een belasting moet de gemeente in een bekostigingsbesluit zowel de opbrengstenraming aangeven als een raming van de lasten met een onderverdeling naar de afzonderlijke posten. Voldoet de belasting niet aan dit voorschrift, dan is de tariefstelling in de gemeentelijke verordening in principe slechts gedeeltelijk onverbindend. Alleen het gedeelte van het tarief wat verantwoordelijk is voor de overschrijding van de geraamde opbrengsten is onverbindend. Wel moeten eerst uit de lastenraming eventuele posten zijn geëlimineerd die ten onrechte zijn opgenomen. De tariefstelling is in zijn geheel onverbindend als het op voorhand duidelijk was dat een geëlimineerde post geen betrekking had op uitgaven waarvoor de gemeentelijke belasting mag worden geheven en het om een aanzienlijke overschrijding van de (gecorrigeerde) raming van de lasten gaat.
Volgens de Hoge Raad had Hof Den Bosch op basis van de vastgestelde feiten niet tot het oordeel kunnen komen dat een gemeentelijke belastingverordening slechts gedeeltelijk onverbindend was. Het verwijzingshof moet onderzoeken of het de gemeente op voorhand duidelijk moet zijn geweest dat twee posten niet of niet geheel dienden ter dekking van de kosten waarvoor de gemeente rioolrechten mag heffen. Hof Arnhem oordeelde dat dit voor een van beide posten het geval was. Vervolgens moest het hof beoordelen of de mate waarin de baten de lasten overschreden aanzienlijk was. Het hof ging daarvoor uit van een overschrijding van 25% of meer. De berekende overschrijding bleef beneden deze norm. Dat maakte dat de tariefstelling gedeeltelijk onverbindend was.