
Wanneer een pachter de door hem gepachte grond in eigendom verkrijgt, behaalt hij daarbij een zogenaamd pachtersvoordeel. Dat voordeel bestaat uit het verschil tussen de waarde vrij opleverbaar en de waarde in verpachte staat. Het pachtersvoordeel is niet belast op het moment waarop de pachter eigenaar wordt, maar op het moment waarop hij de grond verkoopt of op het moment waarop hij zijn onderneming beëindigt.
Een landbouwer kocht de door hem gepachte boerderij met grond. Het erf van de boerderij kocht hij voor een bedrag van ƒ 23.424, terwijl de waarde in onverpachte staat ƒ 29.280 bedroeg. Het pachtersvoordeel op het erf bedroeg daardoor ƒ 5.856. Bij de staking van zijn onderneming ging de boerderij met erf naar het privévermogen van de landbouwer. De grond werd door de Belastingdienst getaxeerd op een bedrag van ƒ 262.500. De landbouwer ging in verband met een waardedruk wegens zelfbewoning van de boerderij uit van 65% van het getaxeerde bedrag. De boekwinst was door de werking van de landbouwvrijstelling naar zijn mening geheel vrijgesteld. De landbouwer hield daarbij geen rekening met het pachtersvoordeel op het erf. De inspecteur rekende het pachtersvoordeel ad ƒ 5.856 tot de winst.
Hof Arnhem was van oordeel dat de bij de onttrekking van de grond aan het ondernemingsvermogen behaalde winst lager was dan de vrijgestelde waardestijging, zodat het pachtersvoordeel niet belast diende te worden. In cassatie oordeelde de Hoge Raad anders.
De landbouwvrijstelling gold voor de waardeverandering van grond in de uitoefening van het landbouwbedrijf. Het pachtersvoordeel was geen onderdeel van de waardeverandering van de grond en diende dus belast te worden. De landbouwvrijstelling kon alleen worden toegepast op de waardeverandering van grond voor zover deze gerealiseerd was en in de boekwinst was begrepen. Niet relevant was dat de waardeverandering van de grond als zodanig hoger was dan de behaalde boekwinst.