
Werkgevers kunnen aan hun werknemers pensioenrechten toekennen. Pensioenrechten moeten worden ondergebracht bij een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij. Voor bepaalde werknemers, zoals de dga, geldt een uitzondering op deze verplichting. De BV mag als werkgever de pensioentoezegging voor de dga in eigen beheer uitvoeren.
Een BV kende in 1976 pensioenaanspraken toe aan twee dga’s. De pensioenverplichtingen werden ondergebracht in een pensioenstichting. Tot en met 1991 werden jaarlijks pensioenpremies aan de pensioenstichting betaald. Met ingang van 1992 werd de pensioenopbouw bij de stichting gestaakt. Eind 1992 reikte de BV pensioenbrieven uit aan beide werknemers waarin een pensioen van 70% van het eindloon werd toegezegd. De BV hield de pensioenvoorziening in eigen beheer. In 2003 droeg de pensioenstichting haar pensioenverplichtingen en haar gehele vermogen over aan de BV. De overgedragen pensioenaanspraken vormden onderdeel van de totale pensioenopbouw bij de BV.
De inspecteur meende dat de BV een winstuitdeling had gedaan aan de dga’s voor het verschil van de waarde van de pensioenverplichting en het overgedragen belegd vermogen van de stichting. Hof Den Bosch deelde de opvatting van de inspecteur. Het hof hield echter geen rekening met het betoog van de BV dat zij als werkgever uit hoofde van de pensioenbrieven de verplichting had om aan de dga’s pensioen uit te keren en dat zij de door hen opgebouwde pensioenaanspraken tegenover de BV geldend konden maken.
De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof vernietigd. De omstandigheid dat de pensioenstichting zelfstandig drager was van de verplichtingen uit hoofde van de in 1976 gedane pensioentoezeggingen sluit niet uit dat de BV zich uit zakelijke overwegingen heeft verplicht deze pensioentoezeggingen jegens de dga’s gestand te doen.