Overgangsrecht oudregimelijfrente

De Belastingdienst heeft onlangs een standpunt gepubliceerd over de fiscale behandeling van lijfrente-uitkeringen uit een lijfrente van voor de Brede Herwaardering, de zogenaamde oudregimelijfrente. De casus betrof een lijfrente die was omgezet in een lijfrentespaarrekening. De staatssecretaris van Financiën deelt het ingenomen standpunt niet.

 

Onder het lijfrenteregime van vóór 1992 werden lijfrentepremies afgetrokken door de meestverdienende echtgenoot. Het was mogelijk om de lijfrente-uitkeringen aan de minstverdienende echtgenoot toe te laten komen. De belastingheffing vond plaats bij de meestverdienende echtgenoot. Bij de invoering van de Wet IB 2001 zijn overgangsregels opgesteld om de bepalingen van de Wet IB 1964 voor lijfrenten te eerbiedigen. Ook de bepaling die ongewenste inkomensoverheveling tussen echtgenoten verhindert maakt deel uit het van het overgangsrecht. Anders dan de Belastingdienst meent, vindt de staatssecretaris van Financiën dat deze bepaling ook geldt als een oudregimelijfrenteverzekering fiscaal geruisloos wordt omgezet in een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Dat houdt in dat als de rekeninghouder niet degene is die in het verleden de lijfrentepremies heeft afgetrokken, de uitkeringen worden belast bij de op het tijdstip van ontvangst meestverdienende echtgenoot.

 

De staatssecretaris erkent dat het in april 2011 ingenomen standpunt van de Belastingdienst ertoe kan hebben geleid dat belastingplichtigen in vergelijkbare situaties op basis van dat standpunt beslissingen hebben genomen. Aan het door de Belastingdienst ingenomen standpunt mogen zij het vertrouwen ontlenen dat in hun situatie hetzelfde geldt.

De casus betrof een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Bij de expiratie van de kapitaalverzekering was de minstverdienende echtgenoot onherroepelijk begunstigde van de lijfrente. De minstverdienende echtgenoot voerde de lijfrenteclausule uit door het inbrengen van het lijfrentekapitaal in een lijfrentespaarrekening. Volgens het standpunt van de Belastingdienst worden de uitkeringen uit de lijfrentespaarrekening belast bij de minstverdienende echtgenoot, ook al zijn de premies voor de lijfrenteverzekering in het verleden bij de meestverdienende echtgenoot in aftrek gekomen.

 

Voor de beoordeling of sprake is van opgewekt vertrouwen moeten situaties waarin dit kan spelen vóór 1 januari 2012 worden gemeld aan de bevoegde inspecteur.

<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De Belastingdienst heeft onlangs een standpunt gepubliceerd over de fiscale behandeling van lijfrente-uitkeringen uit een lijfrente van voor de Brede Herwaardering, de zogenaamde oudregimelijfrente. De casus betrof een lijfrente die was omgezet in een lijfrentespaarrekening. De staatssecretaris van Financiën deelt het ingenomen standpunt niet. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><SPAN style="mso-spacerun: yes">&nbsp;</SPAN></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Onder het lijfrenteregime van vóór 1992 werden lijfrentepremies afgetrokken door de meestverdienende echtgenoot. Het was mogelijk om de lijfrente-uitkeringen aan de minstverdienende echtgenoot toe te laten komen. De belastingheffing vond plaats bij de meestverdienende echtgenoot. Bij de invoering van de Wet IB 2001 zijn overgangsregels opgesteld om de bepalingen van de Wet IB 1964 voor lijfrenten te eerbiedigen. Ook de bepaling die ongewenste inkomensoverheveling tussen echtgenoten verhindert maakt deel uit het van het overgangsrecht. Anders dan de Belastingdienst meent, vindt de staatssecretaris van Financiën dat deze bepaling ook geldt als een oudregimelijfrenteverzekering fiscaal geruisloos wordt omgezet in een lijfrentespaarrekening of een lijfrentebeleggingsrecht. Dat houdt in dat als de rekeninghouder niet degene is die in het verleden de lijfrentepremies heeft afgetrokken, de uitkeringen worden belast bij de op het tijdstip van ontvangst meestverdienende echtgenoot. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt"><?xml:namespace prefix = o ns = "urn:schemas-microsoft-com:office:office" /><o:p>&nbsp;</o:p></P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De staatssecretaris erkent dat het in april 2011 ingenomen standpunt van de Belastingdienst ertoe kan hebben geleid dat belastingplichtigen in vergelijkbare situaties op basis van dat standpunt beslissingen hebben genomen. Aan het door de Belastingdienst ingenomen standpunt mogen zij het vertrouwen ontlenen dat in hun situatie hetzelfde geldt. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">De casus betrof een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Bij de expiratie van de kapitaalverzekering was de minstverdienende echtgenoot onherroepelijk begunstigde van de lijfrente. De minstverdienende echtgenoot voerde de lijfrenteclausule uit door het inbrengen van het lijfrentekapitaal in een lijfrentespaarrekening. Volgens het standpunt van de Belastingdienst worden de uitkeringen uit de lijfrentespaarrekening belast bij de minstverdienende echtgenoot, ook al zijn de premies voor de lijfrenteverzekering in het verleden bij de meestverdienende echtgenoot in aftrek gekomen. </P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">&nbsp;</P>
<P style="MARGIN: 0cm 0cm 0pt">Voor de beoordeling of sprake is van opgewekt vertrouwen moeten situaties waarin dit kan spelen vóór 1 januari 2012 worden gemeld aan de bevoegde inspecteur.</P>
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u