
Tussen een werkgever en de belastingdienst was over een naheffingsaanslag loonbelasting een geldige vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. De inspecteur had zich in een brief akkoord verklaard met de in een namens de werkgever gestuurde brief genoemde uitgangspunten en na te heffen bedragen behoudens enkele afwijkingen. De werkgever verklaarde zich vervolgens ondubbelzinnig akkoord met het door de inspecteur gewijzigde voorstel. Dat de conceptovereenkomst uiteindelijk niet door partijen was ondertekend vond de rechtbank niet van belang omdat de vaststellingsovereenkomst door de hiervoor bedoelde briefwisseling al tot stand was gekomen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond.