Overdracht waardeloze vordering voor noninale waarde

Wanneer een belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan kan de inspecteur ambtshalve een aanslag vaststellen. De belastingplichtige moet dan bewijzen dat de aanslag niet juist is. Hof Amsterdam paste deze zogenaamde omkering van de bewijslast toe in een procedure over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999. De navorderingsaanslag had betrekking op een uitdeling van winst door een BV aan haar aandeelhouder. De inspecteur had zich niet op de omkering van de bewijslast beroepen. In een dergelijk geval moet de rechter de belastingplichtige eerst in de gelegenheid stellen om zijn mening over het niet doen van aangifte te geven. Dat had het Hof in deze procedure niet gedaan. De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraak van het Hof. Na verwijzing oordeelde Hof Arnhem als volgt. De procedure had betrekking op een DGA die kort voor het faillissement van de schuldenaar een vordering overdroeg aan zijn BV voor de nominale waarde daarvan. De nominale waarde bedroeg ƒ 200.000. De BV waardeerde de overgenomen vordering na het faillissement van de crediteur af tot nihil. Volgens het Hof had een willekeurige derde nooit de vordering voor de nominale waarde overgenomen. Door de overdracht verarmde de BV terwijl de DGA van een oninbare vordering werd verlost. De inspecteur had terecht een uitdeling aangenomen voor de nominale waarde van de vordering. De DGA had deze uitdeling niet in zijn aangifte verwerkt en daardoor een aanzienlijk bedrag aan inkomsten verzwegen. Dat betekende dat de DGA niet de juiste aangifte had gedaan. Volgens het Hof was omkering van de bewijslast hier op zijn plaats. De DGA slaagde er niet in overtuigend aan te tonen dat de navorderingsaanslag onjuist was.
Wanneer een belastingplichtige niet de vereiste aangifte heeft gedaan kan de inspecteur ambtshalve een aanslag vaststellen. De belastingplichtige moet dan bewijzen dat de aanslag niet juist is. Hof Amsterdam paste deze zogenaamde omkering van de bewijslast toe in een procedure over een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1999. De navorderingsaanslag had betrekking op een uitdeling van winst door een BV aan haar aandeelhouder. De inspecteur had zich niet op de omkering van de bewijslast beroepen. In een dergelijk geval moet de rechter de belastingplichtige eerst in de gelegenheid stellen om zijn mening over het niet doen van aangifte te geven. Dat had het Hof in deze procedure niet gedaan. De Hoge Raad vernietigde daarom de uitspraak van het Hof. Na verwijzing oordeelde Hof Arnhem als volgt. De procedure had betrekking op een DGA die kort voor het faillissement van de schuldenaar een vordering overdroeg aan zijn BV voor de nominale waarde daarvan. De nominale waarde bedroeg ƒ 200.000. De BV waardeerde de overgenomen vordering na het faillissement van de crediteur af tot nihil. Volgens het Hof had een willekeurige derde nooit de vordering voor de nominale waarde overgenomen. Door de overdracht verarmde de BV terwijl de DGA van een oninbare vordering werd verlost. De inspecteur had terecht een uitdeling aangenomen voor de nominale waarde van de vordering. De DGA had deze uitdeling niet in zijn aangifte verwerkt en daardoor een aanzienlijk bedrag aan inkomsten verzwegen. Dat betekende dat de DGA niet de juiste aangifte had gedaan. Volgens het Hof was omkering van de bewijslast hier op zijn plaats. De DGA slaagde er niet in overtuigend aan te tonen dat de navorderingsaanslag onjuist was.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u