Overbruggingspensioen kan niet hoger worden gewaardeerd dan overeenkomstig de toezegging
In een procedure over een aanslag vennootschapsbelasting van een BV is de waardering van een pensioenverplichting in geschil. Het gaat om pensioentoezegging in eigen beheer die de BV aan de directeur-grootaandeelhouder heeft gedaan. Omdat de ingangsdatum van de pensioenuitkeringen op 60-jarige leeftijd is gesteld, heeft de BV een overbruggingspensioen toegekend omdat in de pensioenuitkering rekening is gehouden met het recht op AOW, dat pas op 65-jarige leeftijd ingaat. Volgens de pensioenbrief gaat het om een tijdsevenredig opgebouwd overbruggingspensioen. In de aangifte vennootschapsbelasting is de berekening van de pensioenvoorziening gebaseerd op de volledige AOW-uitkering. Daarnaast is in verband met de mogelijke overdracht van de pensioenverplichting aan een verzekeringsmaatschappij rekening gehouden met een kostenopslag van 10%. De inspecteur accepteert beide punten niet. Het Hof volgt de opvatting van de inspecteur omdat de BV zich heeft verplicht tot niet meer dan een tijdsevenredig opgebouwd overbruggingspensioen. Dat de wet inmiddels ruimere mogelijkheden kent houdt niet in, dat deze ook zijn toegezegd. Ook op het punt van de kostenopslag is het Hof het eens met de inspecteur. De BV heeft niet aannemelijk gemaakt, dat met overdracht van het pensioen aan een verzekeringsmaatschappij op korte termijn serieus rekening moet worden gehouden. Dan is er geen aanleiding om rekening te houden met de kostenopslag. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, waarin deze de premiemethode accepteert voor de berekening van een pensioenverplichting wordt de pensioenverplichting van de BV wel op een hoger bedrag gewaardeerd dan de inspecteur aanvankelijk had toegestaan.
In een procedure over een aanslag vennootschapsbelasting van een BV is de waardering van een pensioenverplichting in geschil. Het gaat om pensioentoezegging in eigen beheer die de BV aan de directeur-grootaandeelhouder heeft gedaan. Omdat de ingangsdatum van de pensioenuitkeringen op 60-jarige leeftijd is gesteld, heeft de BV een overbruggingspensioen toegekend omdat in de pensioenuitkering rekening is gehouden met het recht op AOW, dat pas op 65-jarige leeftijd ingaat. Volgens de pensioenbrief gaat het om een tijdsevenredig opgebouwd overbruggingspensioen. In de aangifte vennootschapsbelasting is de berekening van de pensioenvoorziening gebaseerd op de volledige AOW-uitkering. Daarnaast is in verband met de mogelijke overdracht van de pensioenverplichting aan een verzekeringsmaatschappij rekening gehouden met een kostenopslag van 10%. De inspecteur accepteert beide punten niet. Het Hof volgt de opvatting van de inspecteur omdat de BV zich heeft verplicht tot niet meer dan een tijdsevenredig opgebouwd overbruggingspensioen. Dat de wet inmiddels ruimere mogelijkheden kent houdt niet in, dat deze ook zijn toegezegd. Ook op het punt van de kostenopslag is het Hof het eens met de inspecteur. De BV heeft niet aannemelijk gemaakt, dat met overdracht van het pensioen aan een verzekeringsmaatschappij op korte termijn serieus rekening moet worden gehouden. Dan is er geen aanleiding om rekening te houden met de kostenopslag. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad, waarin deze de premiemethode accepteert voor de berekening van een pensioenverplichting wordt de pensioenverplichting van de BV wel op een hoger bedrag gewaardeerd dan de inspecteur aanvankelijk had toegestaan.