
De waardestijging van landbouwgrond als zodanig is door de werking van de landbouwvrijstelling onbelast. De landbouwvrijstelling bestaat al zeer lang en is meerdere keren gewijzigd. De Hoge Raad heeft op 7 mei 2004 een aantal arresten gewezen over de toepassing van de landbouwvrijstelling onder de Wet IB 1964 op de onttrekking van bouwkavels aan het landbouwbedrijf. Volgens deze arresten was de landbouwvrijstelling slechts van toepassing op het waardeverschil tussen de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik als cultuurgrond en de boekwaarde van de grond. Verder heeft de Hoge Raad in deze arresten beslist dat een perceel wordt onttrokken aan het gebruik voor de landbouw door de bouw van een woning op het perceel. Dit houdt in, dat het perceel voortaan niet meer in de uitoefening van het landbouwbedrijf wordt aangewend.
Naar aanleiding van deze arresten heeft de staatssecretaris van Financiën het tot dan toe door de belastingdienst gevoerde beleid over de onttrekking van de ondergrond van woningen aan het ondernemingsvermogen van een landbouwbedrijf herzien. Volgens het bestaande beleid werd de ondergrond van een woning gebruikt in het kader van het landbouwbedrijf. Op basis van dit beleid paste de belastingdienst bij de onttrekking van een woning met ondergrond aan het ondernemingsvermogen de landbouwvrijstelling toe op het verschil tussen de WEVAB van de ondergrond van de woning en de boekwaarde daarvan. Dat beleid werd ook toegepast op de gewijzigde landbouwvrijstelling zoals die is opgenomen in de Wet IB 2001. Volgens het gewijzigde beleid is de belastingdienst er in het verleden ten onrechte vanuit gegaan dat aan de ondergrond van een woning een WEVAB kon worden toegekend. In het gewijzigde beleid wordt niet langer onderscheid gemaakt tussen een perceel dat werd onttrokken aan het vermogen voor de bouw van een woning en de ondergrond van een woning die werd onttrokken aan het vermogen. Het oude beleid werd pas beëindigd toen op 8 maart 2006 een nieuw besluit werd gepubliceerd.
Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2009 kunnen bij beleid dat berust op een onjuiste rechtsopvatting en dat is gevoerd ten aanzien van een bepaalde groep belastingplichtigen, andere belastingplichtigen die niet tot die groep behoren geen beroep doen op toepassing van het gelijkheidsbeginsel over een tijdvak voor dat duidelijk was dat de rechtsopvatting onjuist was. Volgens Hof Arnhem was eind november
De waardestijging van de WEVAB cultuurgrond naar de WEVAB ondergrond moest in dit geval onbelast blijven.