
Het is wettelijk verboden om onderscheid tussen werknemers of groepen werknemers te maken naar leeftijd. In sommige gevallen is een onderscheid naar leeftijd toegestaan mits het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door de aanwezigheid van een legitiem doel en de middelen die worden ingezet om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.
Bij een reorganisatie van een bedrijf moesten werknemers afvloeien. De werkgever had in overleg met de vakbonden een sociaal plan opgesteld voor de betrokken werknemers. Alle ontslagen werknemers die waren geboren na 1 januari 1950 kwamen in aanmerking voor een beëindigingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een C-factor van 0,8. Voor oudere werknemers was in het sociaal plan een ouderenregeling opgenomen. Deze regeling hield in dat de werknemers gebruik moesten maken van een bestaande vrijwillige regeling voor vervroegd pensioen zonder recht op enige vergoeding van de werkgever.
Voor het onderscheid naar leeftijd voerde de werkgever geen rechtvaardigingsgrond aan in het sociaal plan. In de procedure voor de kantonrechter voerde de werkgever aan dat de ouderenregeling als doel had inkomenszekerheid te bieden aan de oudere medewerkers. De regeling kwam er op neer dat een oudere werknemer tot zijn pensioendatum een lager inkomen zou hebben en daarna een lager pensioen. Voor deze nadelige gevolgen bood de werkgever geen compensatie. Oudere werknemers waren uitgesloten van de in het sociaal plan opgenomen bemiddelingsactiviteiten en om- en bijscholingsmogelijkheden.
De kantonrechter was van oordeel dat de ouderenregeling uit het sociaal plan niet in stand kon blijven. In plaats daarvan kende de kantonrechter een ontslagvergoeding toe om de prepensioenuitkering van 80% van het netto salaris aan te vullen tot 100%.