
Wanneer een aanmerkelijk belanghouder eigenaar is van een pand dat door zijn BV wordt gebruikt valt dit pand niet in box 3 maar onder de terbeschikkingstellingsregeling van box 1. De opbrengsten zijn daardoor progressief belast. Er moet jaarlijks een balans worden opgemaakt waarop de ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen zijn opgenomen.
De vraag in een procedure voor de rechtbank Breda was of de aankoopkosten van het pand moeten worden geactiveerd op deze balans en daarmee tot de afschrijvingsgrondslag gaan behoren. De belanghebbende in deze procedure stelde het pand direct na de aankoop ter beschikking aan zijn BV. Op grond van de door de wetgever beoogde parallel in de behandeling tussen een ondernemer-natuurlijk persoon en een aanmerkelijk belanghouder was de rechtbank van oordeel dat bij een nagenoeg gelijktijdige verwerving en terbeschikkingstelling de aankoopkosten geactiveerd moeten worden. Bij een ondernemer zou in een vergelijkbare situatie het aandeel in het pand direct bij de aankoop inclusief de aankoopkosten tot het verplichte ondernemingsvermogen gaan behoren.
De belanghebbende had aan zijn BV ook een optierecht op het pand verstrekt. Bij de invoering van de Wet IB 2001 viel een optieverplichting niet onder de terbeschikkingstellingsregeling. Met ingang van 1 januari 2003 veranderde dit. Dat betekende dat de belanghebbende de optieverplichting per 1 januari 2003 als passiefpost op zijn balans diende op te nemen. In verband met een verkoop van het pand kocht de belanghebbende deze optieverplichting af op 12 december 2003. Volgens de rechtbank had die afkoop invloed op zijn inkomen voor zover de betaalde afkoopsom afweek van de op de balans opgenomen waarde van de optieverplichting. Bij het aangaan van de optieverplichting op 30 december 2000 ontving de belanghebbende een bedrag van € 67.159. De afkoop vond plaats voor een bedrag van € 77.732. De rechtbank stelde de hoogte van de verplichting per 1 januari 2003 vast op een bedrag dat tussen deze twee bedragen in lag. De afkoop in december 2003 leidde tot een door de rechtbank berekend verlies uit werkzaamheid van € 3.525. De inspecteur had het verschil tussen optieverplichting op 1 januari 2001 en op 13 december 2003 als verlies in aanmerking genomen. Het belastbare inkomen uit werk en woning was daardoor te laag vastgesteld. De belanghebbende ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Hof Den Bosch verklaarde zijn beroep ongegrond.