Opgewekt vertrouwen dat geen aanslag zou volgen?
Wanneer een belastingplichtige met de belastingdienst afspraken maakt over de fiscale verplichtingen van de belastingplichtige dan zijn beide partijen daaraan gebonden. De belastingdienst is zelfs nog sterker gebonden aan de gemaakte afspraken dan volgens de voor een overeenkomst geldende civielrechtelijke maatstaven, omdat de inspecteur zich ook moet houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betekent dat hij gebonden is aan uitlatingen die hij in het kader van het overleg heeft gedaan als daardoor bij de belastingplichtige de indruk is ontstaan van een ruimere gebondenheid, zelfs als de inspecteur niet heeft bedoeld een dergelijke indruk te wekken.
Wel moet de belastingplichtige die zich op gemaakte afspraken beroept kunnen bewijzen dat er een overeenkomst tot stand is gekomen.
In een voorkomend geval beweerde een belastingplichtige met de ontvanger of de inspecteur een overeenkomst te hebben gesloten, waardoor de inspecteur niet meer de bevoegdheid zou hebben om een naheffingsaanslag loonheffing op te leggen over een bepaalde periode. Volgens het Hof was er wel overleg gevoerd over een aantal bestaande belastingschulden, maar was daarin niet afgesproken dat na afronding van dat overleg er geen (nieuwe) belastingschulden zouden kunnen bestaan.
Evenmin stond vast dat de inspecteur of de ontvanger tijdens het overleg het vertrouwen had gewekt dat er geen naheffingsaanslag over een -later geconstateerd- afdrachtverschil zou kunnen worden opgelegd.
Wanneer een belastingplichtige met de belastingdienst afspraken maakt over de fiscale verplichtingen van de belastingplichtige dan zijn beide partijen daaraan gebonden. De belastingdienst is zelfs nog sterker gebonden aan de gemaakte afspraken dan volgens de voor een overeenkomst geldende civielrechtelijke maatstaven, omdat de inspecteur zich ook moet houden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dat betekent dat hij gebonden is aan uitlatingen die hij in het kader van het overleg heeft gedaan als daardoor bij de belastingplichtige de indruk is ontstaan van een ruimere gebondenheid, zelfs als de inspecteur niet heeft bedoeld een dergelijke indruk te wekken.
Wel moet de belastingplichtige die zich op gemaakte afspraken beroept kunnen bewijzen dat er een overeenkomst tot stand is gekomen.
In een voorkomend geval beweerde een belastingplichtige met de ontvanger of de inspecteur een overeenkomst te hebben gesloten, waardoor de inspecteur niet meer de bevoegdheid zou hebben om een naheffingsaanslag loonheffing op te leggen over een bepaalde periode. Volgens het Hof was er wel overleg gevoerd over een aantal bestaande belastingschulden, maar was daarin niet afgesproken dat na afronding van dat overleg er geen (nieuwe) belastingschulden zouden kunnen bestaan.
Evenmin stond vast dat de inspecteur of de ontvanger tijdens het overleg het vertrouwen had gewekt dat er geen naheffingsaanslag over een -later geconstateerd- afdrachtverschil zou kunnen worden opgelegd.