Ook zonder aanpassing was prêt participatif al deelnemerschapslening
Een Nederlandse BV fungeerde als een zogenaamde tussenhoudstermaatschappij in een internationaal concern. De BV was houdster van vrijwel het gehele aandelenkapitaal van een Franse SA. Naar Frans recht heeft een SA een levensduur van 99 jaar vanaf het moment van oprichting. Daarna vindt ontbinding en vereffening plaats, maar verlenging van de levensduur is mogelijk en gebruikelijk als de vennootschap nog actief is. De SA was een deelneming van de BV. De BV verstrekte in 1992 een prêt participatif aan de SA voor een bedrag van € 64,6 miljoen. De looptijd was gelijk aan de resterende levensduur van de SA, behoudens verlenging van de levensduur. Naar Frans recht vormt een dergelijke lening eigen vermogen van de verkrijger. De SA betaalde een vaste rente van 1% per jaar plus een variabel deel, dat winstafhankelijk was. De SA kon de betaalde rente in Frankrijk ten laste van de winst brengen.De BV verwerkte de jaarlijkse vergoedingen in haar aangifte vennootschapsbelasting als opbrengsten van winstbewijzen en paste daarop de deelnemingsvrijstelling toe. In geschil voor Hof Den Bosch was of de prêt participatif een zogenaamde deelnemerschapslening was en of de ontvangen vergoedingen dus onder de deelnemingsvrijstelling vielen.Voor de beantwoording van de vraag of er een lening of een kapitaalstorting is verstrekt moet naar de civielrechtelijke vorm worden gekeken. Een deelnemerschapslening kwalificeert als kapitaalverstrekking. Van een deelnemerschapslening is sprake als aan de volgende voorwaarden is voldaan:- de vergoeding voor de geldverstrekking is afhankelijk van de winst;- de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers;- de schuld heeft geen vaste looptijd en is slechts opeisbaar bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie.Het Hof was van oordeel dat de lening niet voldeed aan de voorwaarden voor een deelnemerschapslening omdat de vergoeding niet volledig winstafhankelijk was (er was een vaste vergoeding van 1 % per jaar) en omdat de lening niet slechts opeisbaar was bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie vanwege de vaste looptijd van 95 jaar.De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd. Het rendement op de langstlopende staatsleningen bedroeg bij het afsluiten van de lening ruim 8 % per jaar. Als de BV niet de bedoeling had met het uitgeleende bedrag in zekere mate deel te nemen in de onderneming van de SA zou de BV tenminste een rente van gelijk aan het rendement op staatsleningen hebben bedongen. Volgens de Hoge Raad was de vergoeding vrijwel geheel winstafhankelijk en voldeed de lening daarmee aan de gestelde eis. Gezien de overeengekomen looptijd van de lening van 95 jaar was er geen sprake van een vaste looptijd. Daarmee voldeed de prêt participatif aan de voorwaarden voor een deelnemerschapslening zoals de Hoge Raad die in een arrest uit 1998 heeft gesteld. De opbrengsten van de lening vielen onder de deelnemingsvrijstelling.
Een Nederlandse BV fungeerde als een zogenaamde tussenhoudstermaatschappij in een internationaal concern. De BV was houdster van vrijwel het gehele aandelenkapitaal van een Franse SA. Naar Frans recht heeft een SA een levensduur van 99 jaar vanaf het moment van oprichting. Daarna vindt ontbinding en vereffening plaats, maar verlenging van de levensduur is mogelijk en gebruikelijk als de vennootschap nog actief is. De SA was een deelneming van de BV. De BV verstrekte in 1992 een prêt participatif aan de SA voor een bedrag van € 64,6 miljoen. De looptijd was gelijk aan de resterende levensduur van de SA, behoudens verlenging van de levensduur. Naar Frans recht vormt een dergelijke lening eigen vermogen van de verkrijger. De SA betaalde een vaste rente van 1% per jaar plus een variabel deel, dat winstafhankelijk was. De SA kon de betaalde rente in Frankrijk ten laste van de winst brengen.De BV verwerkte de jaarlijkse vergoedingen in haar aangifte vennootschapsbelasting als opbrengsten van winstbewijzen en paste daarop de deelnemingsvrijstelling toe. In geschil voor Hof Den Bosch was of de prêt participatif een zogenaamde deelnemerschapslening was en of de ontvangen vergoedingen dus onder de deelnemingsvrijstelling vielen.Voor de beantwoording van de vraag of er een lening of een kapitaalstorting is verstrekt moet naar de civielrechtelijke vorm worden gekeken. Een deelnemerschapslening kwalificeert als kapitaalverstrekking. Van een deelnemerschapslening is sprake als aan de volgende voorwaarden is voldaan:- de vergoeding voor de geldverstrekking is afhankelijk van de winst;- de schuld is achtergesteld bij alle concurrente schuldeisers;- de schuld heeft geen vaste looptijd en is slechts opeisbaar bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie.Het Hof was van oordeel dat de lening niet voldeed aan de voorwaarden voor een deelnemerschapslening omdat de vergoeding niet volledig winstafhankelijk was (er was een vaste vergoeding van 1 % per jaar) en omdat de lening niet slechts opeisbaar was bij faillissement, surséance van betaling of liquidatie vanwege de vaste looptijd van 95 jaar.De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof vernietigd. Het rendement op de langstlopende staatsleningen bedroeg bij het afsluiten van de lening ruim 8 % per jaar. Als de BV niet de bedoeling had met het uitgeleende bedrag in zekere mate deel te nemen in de onderneming van de SA zou de BV tenminste een rente van gelijk aan het rendement op staatsleningen hebben bedongen. Volgens de Hoge Raad was de vergoeding vrijwel geheel winstafhankelijk en voldeed de lening daarmee aan de gestelde eis. Gezien de overeengekomen looptijd van de lening van 95 jaar was er geen sprake van een vaste looptijd. Daarmee voldeed de prêt participatif aan de voorwaarden voor een deelnemerschapslening zoals de Hoge Raad die in een arrest uit 1998 heeft gesteld. De opbrengsten van de lening vielen onder de deelnemingsvrijstelling.