
De vordering die de houder van een aanmerkelijk belang heeft op zijn vennootschap valt onder de terbeschikkingstellingsregeling. Het resultaat van de terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen wordt bepaald volgens het winstregime. De afboeking van een tot het ondernemingsvermogen behorende onzakelijke vordering kan niet ten laste van de winst worden gebracht. Ook bij een terbeschikkingstelling moet de invloed van een onzakelijk handelen van de belastingplichtige op het resultaat worden geƫlimineerd. Heeft de belastingplichtige om aandeelhoudersmotieven een debiteurenrisico aanvaard dat een buitenstaander niet zou willen lopen, dan is sprake van een onzakelijke vordering en kan een eventueel verlies op die vordering niet ten laste van het inkomen worden gebracht.
Hof Arnhem vond de lening die een aanmerkelijk belanghouder verstrekt had aan zijn BV onzakelijk en stond afwaardering ten laste van het inkomen niet toe. Volgens het hof zou een onafhankelijke derde het debiteurenrisico dat de aandeelhouder op zich had genomen niet hebben genomen. Aandeelhoudersmotieven waren volgens het hof doorslaggevend. In cassatie onderschreef de Hoge Raad het oordeel van het hof. Anders dan de aandeelhouder in cassatie had betoogd, geldt een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2008 niet alleen voor leningen die een vennootschap aan de aandeelhouder verstrekt, maar ook voor leningen die de aandeelhouder aan zijn vennootschap verstrekt. Volgens de Hoge Raad is ook in dat geval de onzakelijke aanvaarding van het debiteurenrisico gebaseerd op de onderlinge aandeelhoudersrelatie.
De Hoge Raad merkte nog wel op dat een kwijtschelding van een onzakelijke geldlening een informele kapitaalstorting inhoudt, ook als de vordering oninbaar is. Dat betekent dat de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang wordt verhoogd met het bedrag van de als informele kapitaalstorting aan te merken kwijtschelding. De verhoging van de verkrijgingsprijs verlaagt de aanmerkelijkbelangwinst bij vervreemding van de aandelen.