Onttrekking aan ondernemingsvermogen in voorperiode uitdeling van winst

De erfgenamen van een overleden DGA gingen in cassatie tegen een uitspraak van Hof Den Haag over de aan de DGA opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1994. Het Hof was van oordeel dat de DGA in de voorperiode bewust bedragen aan het vermogen van zijn BV had onttrokken en liet daarom de door de inspecteur aangebrachte inkomenscorrectie in stand. De erfgenamen waren het niet eens met dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde als volgt. De DGA had zijn onderneming met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 ingebracht in de BV. Vanaf die datum werd de onderneming dus voor rekening van de BV gedreven, ook al vonden de oprichting van de BV en dus de eigenlijke inbreng van de onderneming pas in 1995 plaats. Onttrekkingen aan het ondernemingsvermogen in de periode na 1 januari 1994 waren dus onttrekkingen aan de BV. De erfgenamen hadden ook klachten over de behandeling door de inspecteur tijdens de bezwaarfase. Bij het Hof hadden zij aangegeven dat de inspecteur hen ondanks hun verzoek niet had gehoord. Bij de Hoge Raad klaagden zij erover dat het Hof met die klacht niets had gedaan. De Hoge Raad oordeelde op dit punt als volgt. Het Hof had ten onrechte niet aangegeven waarom het aan de klacht van de erfgenamen geen aandacht besteedde. Toch kon dat niet tot cassatie leiden omdat uit de uitspraak van het Hof en uit de stukken van het geding bleek dat er na het indienen van het bezwaarschrift diverse gesprekken waren geweest tussen de inspecteur en de erfgenamen. Volgens de Hoge Raad bleek daaruit dat zij door het niet op de juiste wijze te zijn gehoord niet waren benadeeld. De uitspraak van Hof Den Haag bleef in stand.
De erfgenamen van een overleden DGA gingen in cassatie tegen een uitspraak van Hof Den Haag over de aan de DGA opgelegde aanslag inkomstenbelasting 1994. Het Hof was van oordeel dat de DGA in de voorperiode bewust bedragen aan het vermogen van zijn BV had onttrokken en liet daarom de door de inspecteur aangebrachte inkomenscorrectie in stand. De erfgenamen waren het niet eens met dit oordeel. De Hoge Raad oordeelde als volgt. De DGA had zijn onderneming met terugwerkende kracht tot 1 januari 1994 ingebracht in de BV. Vanaf die datum werd de onderneming dus voor rekening van de BV gedreven, ook al vonden de oprichting van de BV en dus de eigenlijke inbreng van de onderneming pas in 1995 plaats. Onttrekkingen aan het ondernemingsvermogen in de periode na 1 januari 1994 waren dus onttrekkingen aan de BV. De erfgenamen hadden ook klachten over de behandeling door de inspecteur tijdens de bezwaarfase. Bij het Hof hadden zij aangegeven dat de inspecteur hen ondanks hun verzoek niet had gehoord. Bij de Hoge Raad klaagden zij erover dat het Hof met die klacht niets had gedaan. De Hoge Raad oordeelde op dit punt als volgt. Het Hof had ten onrechte niet aangegeven waarom het aan de klacht van de erfgenamen geen aandacht besteedde. Toch kon dat niet tot cassatie leiden omdat uit de uitspraak van het Hof en uit de stukken van het geding bleek dat er na het indienen van het bezwaarschrift diverse gesprekken waren geweest tussen de inspecteur en de erfgenamen. Volgens de Hoge Raad bleek daaruit dat zij door het niet op de juiste wijze te zijn gehoord niet waren benadeeld. De uitspraak van Hof Den Haag bleef in stand.
Vestiging Wijk & Aalburg
Kortestraat 20
4261 AA Wijk en Aalburg

Vestiging Zaltbommel
Van Voordenpark 6c
5301 KP Zaltbommel

Openingstijden
Maandag t/m vrijdag 07:00 - 17:30u