
Een bedrijf deed bij de douane aangifte van de plaatsing van goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer. Volgens deze regeling was het bedrijf verplicht om de betreffende goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de geadresseerde af te leveren. Bij aankomst bleek een deel van de goederen niet aanwezig te zijn. In dergelijke gevallen geldt het vermoeden dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken. Het onttrekken aan het douanetoezicht is een belastbaar feit. Het vermoeden van onttrekking geldt niet als de goederen in een door de douane verzegelde container zijn vervoerd en de verzegeling bij aankomst op de plaats van bestemming nog intact is, tenzij aannemelijk is dat de goederen uit de verzegelde laadruimte zijn onttrokken zonder dat het zegel is verbroken.
In een voorkomend geval weersprak de inspecteur de stelling van de belanghebbende dat het vervoer had plaatsgevonden in door de douane verzegelde containers en dat deze verzegeling bij de beƫindiging van het vervoer nog intact was.
Hof Amsterdam vond niet aannemelijk dat de ontbrekende goederen uit de verzegelde containers waren verwijderd. Het vermoeden van onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht tijdens het vervoer gold dus niet. Daarmee had zich geen belastbaar feit voorgedaan en kon aan het bedrijf dat de aangifte had gedaan geen uitnodiging tot betaling van douanerechten worden opgelegd.