Ontslagvergoeding in de vorm van stamrecht behield loonkarakter ook bij afkoop
Iemand kwam in 1992 met zijn werkgever overeen dat hij in september 1993 vervroegd met pensioen zou gaan. Zijn werkgever bood hem een recht op periodieke uitkeringen aan. Dat recht werd overgedragen aan een stamrecht-BV van de werknemer. Dit stamrecht werd afgekocht op een moment waarop de werknemer in Zwitserland woonde. De kwalificatie van de afkoopsom voor het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Zwitserland was oorzaak van een geschil met de belastingdienst. Volgens de inspecteur vormde de afkoopsom inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid. Volgens de werknemer viel de afkoopsom onder pensioenen en andere uitkeringen uit vroegere niet-zelfstandige arbeid.Bij de overdracht van het stamrecht door de werkgever aan de stamrecht-BV was als voorwaarde voor een belastingvrije overdracht gesteld dat de inkomsten uit dit stamrecht zouden worden beschouwd als loon en niet als pensioen of een soortgelijke beloning.De werknemer stelde zich op het standpunt, dat de vergoeding voortkwam uit het aanbod van zijn werkgever om zonder een actuariële korting op zijn pensioen vervroegd te worden gepensioneerd. Volgens de inspecteur ging het om een ontslagvergoeding in het kader van een afslanking van het bedrijf van de werkgever, waarbij de voorziening in het levensonderhoud tot de pensioendatum geen enkele rol speelde.Volgens de Hoge Raad is van pensioen of een andere uitkering slechts sprake als die uitkering in overwegende mate is bedoeld, eventueel in aanvulling op andere voorzieningen, om te voorzien in het levensonderhoud in de periode tussen de beëindiging van de dienstbetrekking en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Na verwijzing moest het Hof onderzoeken of de ontslaguitkering aan deze omschrijving voldeed. Omdat de ontslagvergoeding was vastgesteld volgens een algemeen geldende formule en betrekking had op gederfde en nog te derven inkomsten, moest de werknemer bewijzen, dat het voorzien in het levensonderhoud gedurende de overbruggingsperiode tot de pensioendatum voorop stond. Volgens het Hof slaagde de werknemer daar niet in. Dat de vergoeding was toegekend ter compensatie van een actuariële korting bij vervroegde pensionering vond het Hof niet aannemelijk, omdat de vergoeding in dat geval aan de pensioenuitvoerder zou zijn betaald. Volgens het Hof viel de afkoopsom onder de verdragsbepaling voor inkomsten uit arbeid en mocht Nederland daarom belasting heffen over de afkoopsom.
Iemand kwam in 1992 met zijn werkgever overeen dat hij in september 1993 vervroegd met pensioen zou gaan. Zijn werkgever bood hem een recht op periodieke uitkeringen aan. Dat recht werd overgedragen aan een stamrecht-BV van de werknemer. Dit stamrecht werd afgekocht op een moment waarop de werknemer in Zwitserland woonde. De kwalificatie van de afkoopsom voor het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Zwitserland was oorzaak van een geschil met de belastingdienst. Volgens de inspecteur vormde de afkoopsom inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid. Volgens de werknemer viel de afkoopsom onder pensioenen en andere uitkeringen uit vroegere niet-zelfstandige arbeid.Bij de overdracht van het stamrecht door de werkgever aan de stamrecht-BV was als voorwaarde voor een belastingvrije overdracht gesteld dat de inkomsten uit dit stamrecht zouden worden beschouwd als loon en niet als pensioen of een soortgelijke beloning.De werknemer stelde zich op het standpunt, dat de vergoeding voortkwam uit het aanbod van zijn werkgever om zonder een actuariële korting op zijn pensioen vervroegd te worden gepensioneerd. Volgens de inspecteur ging het om een ontslagvergoeding in het kader van een afslanking van het bedrijf van de werkgever, waarbij de voorziening in het levensonderhoud tot de pensioendatum geen enkele rol speelde.Volgens de Hoge Raad is van pensioen of een andere uitkering slechts sprake als die uitkering in overwegende mate is bedoeld, eventueel in aanvulling op andere voorzieningen, om te voorzien in het levensonderhoud in de periode tussen de beëindiging van de dienstbetrekking en het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Na verwijzing moest het Hof onderzoeken of de ontslaguitkering aan deze omschrijving voldeed. Omdat de ontslagvergoeding was vastgesteld volgens een algemeen geldende formule en betrekking had op gederfde en nog te derven inkomsten, moest de werknemer bewijzen, dat het voorzien in het levensonderhoud gedurende de overbruggingsperiode tot de pensioendatum voorop stond. Volgens het Hof slaagde de werknemer daar niet in. Dat de vergoeding was toegekend ter compensatie van een actuariële korting bij vervroegde pensionering vond het Hof niet aannemelijk, omdat de vergoeding in dat geval aan de pensioenuitvoerder zou zijn betaald. Volgens het Hof viel de afkoopsom onder de verdragsbepaling voor inkomsten uit arbeid en mocht Nederland daarom belasting heffen over de afkoopsom.