
Een werkgever verzocht het UWV om een ontslagvergunning op bedrijfseconomische gronden voor negen werknemers. Deze vergunning werd verleend. Een van de betrokken werknemers was ziek en herstelde niet voordat de geldigheidsduur van de vergunning was verstreken. Om die reden verzocht de werkgever de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, eveneens op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. Door de slechte economische situatie zag de werkgever zich genoodzaakt het personeelsbestand in te krimpen. De werknemer bestreed de bedrijfseconomische noodzaak voor de doorgevoerde reorganisatie. Daarnaast beriep de werknemer zich op het opzegverbod tijdens ziekte. De kantonrechter stelde vast dat de werkgever het verzoek niet had gedaan wegens ziekte van de werknemer. De noodzaak tot reorganisatie vond de kantonrechter voldoende aannemelijk en ontbond de arbeidsovereenkomst. Vanwege de slechte financiƫle situatie van de werkgever kende de kantonrechter de werknemer geen ontbindingsvergoeding toe. Mede bepalend daarvoor was het betrekkelijk korte dienstverband van de werknemer en het feit dat de werkgever een aantal verzekeringen had afgesloten ten behoeve van de werknemers, waardoor een deel van de gevolgen van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst werd opgevangen.