Ontslag ten onrechte op bedrijfseconomische gronden
Een in het buitenland gevestigd moederbedrijf wilde haar Nederlandse vestiging sluiten. De Nederlandse vestiging vroeg aan het CWI een ontslagvergunning voor drie van de vier werknemers op bedrijfseconomische gronden. De vierde werknemer zou worden doorbetaald tot aan zijn vervroegde pensionering, die kort na de beoogde sluitingsdatum zou ingaan. Het CWI verleende de gevraagde ontslagvergunningen. Er volgde een procedure bij de kantonrechter omdat de werknemers het niet eens waren met het ontslag. De kantonrechter stelde vast dat er van een precaire financiële of bedrijfseconomische situatie geen sprake was. De omzet van de Nederlandse vestiging was al jaren constant en bij die omzet was in een reeks van jaren steeds winst gemaakt. Alleen in het jaar van sluiting was dit anders door de kosten van de vervroegde pensionering van een van de werknemers. Dat bracht de kantonrechter tot het oordeel dat de werkgever de drie betrokken werknemers onbehoorlijk had behandeld. De werkgever had de voorgenomen sluiting met de werknemers moeten bespreken en vervolgens met de werknemers moeten spreken over hun toekomst in het arbeidsproces en over het vinden van een andere baan. Ook had de werkgever een fatsoenlijke afvloeiingsvoorziening moeten treffen. Volgens de kantonrechter was het gegeven ontslag kennelijk onredelijk. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van een schadevergoeding van € 15.000 bruto.
Een in het buitenland gevestigd moederbedrijf wilde haar Nederlandse vestiging sluiten. De Nederlandse vestiging vroeg aan het CWI een ontslagvergunning voor drie van de vier werknemers op bedrijfseconomische gronden. De vierde werknemer zou worden doorbetaald tot aan zijn vervroegde pensionering, die kort na de beoogde sluitingsdatum zou ingaan. Het CWI verleende de gevraagde ontslagvergunningen. Er volgde een procedure bij de kantonrechter omdat de werknemers het niet eens waren met het ontslag. De kantonrechter stelde vast dat er van een precaire financiële of bedrijfseconomische situatie geen sprake was. De omzet van de Nederlandse vestiging was al jaren constant en bij die omzet was in een reeks van jaren steeds winst gemaakt. Alleen in het jaar van sluiting was dit anders door de kosten van de vervroegde pensionering van een van de werknemers. Dat bracht de kantonrechter tot het oordeel dat de werkgever de drie betrokken werknemers onbehoorlijk had behandeld. De werkgever had de voorgenomen sluiting met de werknemers moeten bespreken en vervolgens met de werknemers moeten spreken over hun toekomst in het arbeidsproces en over het vinden van een andere baan. Ook had de werkgever een fatsoenlijke afvloeiingsvoorziening moeten treffen. Volgens de kantonrechter was het gegeven ontslag kennelijk onredelijk. De kantonrechter veroordeelde de werkgever tot betaling van een schadevergoeding van € 15.000 bruto.