Ontslag op staande voet tijdens strafprocedure
Een docent aan een middelbare school met een lange staat van dienst werd door een oud-leerlinge van de school beschuldigd van verkrachting. De school schorste de docent om die reden met behoud van loon. De docent werd strafrechtelijk vervolgd en ruim twee jaar later door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden. Zowel de docent als het OM ging in hoger beroep tegen dit vonnis. Dat leidde tot een arrest van het gerechtshof te Amsterdam waarin de docent werd vrijgesproken. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.
De school wachtte het hoger beroep niet af, maar stuurde de dag na het vonnis van de rechtbank een brief aan de docent waarin hij op staande voet werd ontslagen. De docent, die zich reeds eerder ziek had gemeld, protesteerde tegen het ontslag. De school diende bij de kantonrechter een verzoek in om ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover deze nog zou bestaan, primair op grond van een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk met ingang van 1 april 2007 onder toekenning van een voorwaardelijke vergoeding van € 69.272,17 bruto. De vergoeding was alleen verschuldigd wanneer de docent onherroepelijk zou zijn vrijgesproken van de beschuldigingen. De docent vorderde een verklaring voor recht dat het hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. Verder vorderde de docent betaling van zijn salaris en vakantiegeld over de periode tot en met 31 maart 2007, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling en met de wettelijke rente. Tenslotte vorderde de docent de betaling van de door de kantonrechter toegekende vergoeding.
De school meende dat zij een dringende reden had voor ontslag op staande voet. Gelet op de veroordeling door de rechtbank kon van de school redelijkerwijs niet gevraagd worden om de arbeidsovereenkomst e laten voortduren tot een einduitspraak in de strafzaak.
De kantonrechter vond dat de school geen dringende reden had voor ontslag op staande voet. De school was al twee jaar op de hoogte van de beschuldigingen en had er destijds voor gekozen om de docent te schorsen en kennelijk geen reden gezien de arbeidsovereenkomst toen al te beëindigen. Ook in het arbeidsrecht geldt de uit het strafrecht bekende onschuldpresumptie. Alleen de strafrechtelijke verdenking is onvoldoende voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Het standpunt van de school dat een latere vrijspraak de reputatie van de docent niet zou hebben kunnen zuiveren, zodat ook dan zijn terugkeer naar het werk onmogelijk zou zijn, is in strijd met de onschuldpresumptie. Wie onherroepelijk door de strafrechter is vrijgesproken, heeft er recht op ook inderdaad voor onschuldig te worden gehouden. De kantonrechter wees de vorderingen van de docent toe.
Een docent aan een middelbare school met een lange staat van dienst werd door een oud-leerlinge van de school beschuldigd van verkrachting. De school schorste de docent om die reden met behoud van loon. De docent werd strafrechtelijk vervolgd en ruim twee jaar later door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden. Zowel de docent als het OM ging in hoger beroep tegen dit vonnis. Dat leidde tot een arrest van het gerechtshof te Amsterdam waarin de docent werd vrijgesproken. Tegen dit arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.
De school wachtte het hoger beroep niet af, maar stuurde de dag na het vonnis van de rechtbank een brief aan de docent waarin hij op staande voet werd ontslagen. De docent, die zich reeds eerder ziek had gemeld, protesteerde tegen het ontslag. De school diende bij de kantonrechter een verzoek in om ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover deze nog zou bestaan, primair op grond van een dringende reden en subsidiair wegens veranderingen in de omstandigheden. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk met ingang van 1 april 2007 onder toekenning van een voorwaardelijke vergoeding van € 69.272,17 bruto. De vergoeding was alleen verschuldigd wanneer de docent onherroepelijk zou zijn vrijgesproken van de beschuldigingen. De docent vorderde een verklaring voor recht dat het hem gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was. Verder vorderde de docent betaling van zijn salaris en vakantiegeld over de periode tot en met 31 maart 2007, te vermeerderen met de wettelijke verhoging wegens te late betaling en met de wettelijke rente. Tenslotte vorderde de docent de betaling van de door de kantonrechter toegekende vergoeding.
De school meende dat zij een dringende reden had voor ontslag op staande voet. Gelet op de veroordeling door de rechtbank kon van de school redelijkerwijs niet gevraagd worden om de arbeidsovereenkomst e laten voortduren tot een einduitspraak in de strafzaak.
De kantonrechter vond dat de school geen dringende reden had voor ontslag op staande voet. De school was al twee jaar op de hoogte van de beschuldigingen en had er destijds voor gekozen om de docent te schorsen en kennelijk geen reden gezien de arbeidsovereenkomst toen al te beëindigen. Ook in het arbeidsrecht geldt de uit het strafrecht bekende onschuldpresumptie. Alleen de strafrechtelijke verdenking is onvoldoende voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Het standpunt van de school dat een latere vrijspraak de reputatie van de docent niet zou hebben kunnen zuiveren, zodat ook dan zijn terugkeer naar het werk onmogelijk zou zijn, is in strijd met de onschuldpresumptie. Wie onherroepelijk door de strafrechter is vrijgesproken, heeft er recht op ook inderdaad voor onschuldig te worden gehouden. De kantonrechter wees de vorderingen van de docent toe.