
De termijn voor het opleggen van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting bedraagt vijf jaar. Voor uit het buitenland afkomstige inkomsten of in het buitenland gehouden vermogensbestanddelen geldt een verlengde navorderingstermijn van 12 jaar. Volgens rechtspraak van het Hof van Justitie EU geeft de verlengde navorderingstermijn de inspecteur geen vrijbrief om maar te wachten met het opleggen van een navorderingsaanslag. Naar aanleiding van deze rechtspraak heeft de Hoge Raad regels geformuleerd waar de inspecteur rekening mee moet houden bij het opleggen van een navorderingsaanslag wanneer de vijfjaarstermijn is verstreken.
Een belastingplichtige informeerde de belastingdienst in 2002 over een spaartegoed dat hij aanhield op een Duitse bankrekening. Met dagtekening 31 december 2002 legde de inspecteur een navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 1990 op. Met het opleggen van navorderingsaanslagen over de volgende jaren wachtte de inspecteur tot eind 2003 respectievelijk 2004.
Hof Leeuwarden was van oordeel dat deze navorderingsaanslagen terecht waren opgelegd. De Hoge Raad oordeelde anders. Voor zover de vijfjaarstermijn was verstreken waren de navorderingsaanslagen in strijd met het evenredigheidsbeginsel opgelegd. De inspecteur beschikte al sinds 2002 over de informatie die nodig was om de navorderingsaanslagen op te kunnen leggen en had geen nader onderzoek ingesteld waarmee het tijdsverloop kon worden verklaard. De Hoge Raad heeft daarom deze navorderingsaanslagen vernietigd.