
De houder van een auto moet motorrijtuigenbelasting betalen. Motorrijtuigenbelasting moet op aangifte worden betaald per tijdvak. Wanneer geen of te weinig motorrijtuigenbelasting is betaald kan de belastingdienst een naheffingsaanslag opleggen. Voor auto’s die als taxi worden gebruikt kent de wet een vrijstelling. Wanneer deze vrijstelling ten onrechte wordt toegepast kan de belastingdienst ook een naheffingsaanslag opleggen. Voor het opleggen van naheffingsaanslagen bevat de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) een algemene regeling. Die regeling staat naheffing toe tot vijf jaar na afloop van het jaar waarin de belastingschuld is ontstaan. De wet op de Motorrijtuigenbelasting kent een specifieke regeling voor naheffing. In deze specifieke regeling is bepaald dat de inspecteur de belasting mag naheffen over het tijdvak waarin is geconstateerd dat een vrijstelling ten onrechte is toegepast en de belasting over de drie voorafgaande tijdvakken van drie maanden. Die regeling is bedoeld om bewijsproblemen dat de vrijstelling ten onrechte is toegepast voor de inspecteur te voorkomen. De vraag is of deze regeling een beperking inhoudt van de periode waarover naheffing mogelijk is.
Een taxiondernemer maakte voor zijn werk gebruik van een personenauto. Hij betaalde geen motorrijtuigenbelasting omdat hij meende dat de taxivrijstelling van toepassing was.
De belastingdienst legde na een controle in februari 2004 naheffingsaanslagen op over het tijdvak van 1 januari 1999 tot en met 7 juni 1999 en over het tijdvak van 8 juni 1999 tot en met 7 juni 2000.
Hof Arnhem was van oordeel dat de inspecteur alleen motorrijtuigenbelasting kon naheffen over het tijdvak waarin de controledatum viel en over de drie daaraan voorafgaande tijdvakken van drie maanden. Het hof vernietigde de opgelegde naheffingsaanslagen en de opgelegde boetes omdat zij betrekking hadden op tijdvakken die lagen vóór de tijdvakken waarover de inspecteur naar de mening van het hof mocht naheffen.
Volgens de Hoge Raad heeft het hof de specifieke regeling verkeerd uitgelegd. De specifieke regeling heeft betrekking op de hoogte van de na te heffen belasting. De algemene regeling voor de termijn waarbinnen de naheffingsaanslag moet worden opgelegd uit de AWR blijft gewoon van toepassing.
De opvatting van de inspecteur dat hij de na te heffen belasting mag berekenen over de volle vijfjaarstermijn van de AWR als hij het bewijs voor het ten onrechte gebruiken van de vrijstelling kon leveren in plaats van de naheffing te beperken tot het door de Wet MRB voorgeschreven bedrag is niet juist. Volgens de Hoge Raad biedt de wet voor die opvatting geen aanknopingspunt.